Mijn kennismaking met de beruchte Franse hurktoiletten was op mijn eerste Interrailreis in 1978. Ik was als puber een moeilijke poeper. Dat was waarschijnlijk door een combinatie van een vezelarm dieet en een neurotische inslag. Het was hollen of stilstaan, om mijn stoelgang eufemistisch te beschrijven en daar op dat station, ergens tussen Parijs en Cerbère, moest ik hollen naar het eind van het perron. Het was walgelijk (niet zo walgelijk als het hurktoilet in Sri Lanka dat ik noodgedwongen bezocht tijdens een persreis in 2009, waar de stront tot schouderhoogte tegen de muren zat, maar dat is omdat ik me dat beter herinner) en zorgde voor een levenslange afkeer voor openbare toiletten.

Op reis ben je voornamelijk aangewezen op openbare toiletten, waartoe ik voor het gemak toiletten van cafés en restaurants ook toe reken. Tijdens mijn tweede Interrailreis in 1986 had ik na een reeks van te smerige wc’s in de treinen en op het station zo lang mijn behoefte onderdrukt dat ik in Hongarije een steen baarde. Die verstopte onmiddellijk de wc van de particuliere kamerverhuurder en ik moest uiteindelijk tot mijn schouder met een arm in de pot.
Inmiddels ben ik verlost van mijn ergste smetvrees, het pakje vochtig toiletpapier dat ik onderweg altijd bij me heb helpt daarbij. Of misschien waren het de jaren dat ik luiers verschoonde. Het grootste deel van de fietstocht was ik in Frankrijk. Geen hurktoilet gezien en in de meeste AirBnB’s heb je je eigen badkamer. Ook als ik die moest delen met de host of andere gasten had ik daar geen problemen meer mee. Want het is geen openbaar toilet. Zo kom je nog eens ergens, minimaal 35 wc’s moet ik gezien hebben. Een David Bowie-altaar. Een expositieruimte van eigen amateurkunst. Een uitgebreide familiestamboom in foto’s. Een ecotoilet. Een badkamer vermomd als schuurtje. Bij één AirBnB, waar ik badkamer en wc deelde met de host, rook de wc ’s ochtends naar chloor. Ik ben niet de enige met lichte smetvrees, ik begreep haar volkomen.
Ik was altijd braaf mijn handen, maar hygiëne blijft ingewikkeld onderweg, vooral op de fiets. Vooral als je je flesje ontsmettende handgel verliest. Ook als je je kleren niet twee dagen draagt, zoals ik in het begin deed, ga je vreemd ruiken. Zeker in de laatste hittegolfdagen, als je een zweetreet krijgt. Op de fiets eten en drinken is vragen om vlekken in je kleren en tandenpoetsen lukt ook niet altijd twee keer per dag.
Het fietsen, het op onregelmatige tijdstippen eten, het snacken, uiteindelijk raakt je spijsvertering toch van slag, het hollen en stilstaan begint weer en opeens moet je achttien uur in de bus zitten. Om de vierenhalf uur een stop bij een benzinestation en rijen bij onfris ruikende wc’s, met deurtjes die aan de onder- of bovenkant open zijn, dat helpt ook niet. Mijn afkeer voor openbare toiletten, hè.
Zo kwam het dat ik eenmaal thuis weer een steen baarde. Zuchtend rolde ik mijn mouwen op.
(wordt vervolgd)