‘Als je zo lang rijdt dat je het gevoel hebt dat je één bent geworden met je fiets, dat is het mooiste moment,’ zei mijn overbuurman. Hij was ook de degene die me waarschuwde te stoppen als de vermoeidheid intrad en niet te rijden als de luchttemperatuur gelijk was aan mijn lichaamstemperatuur. Het was halverwege de rit dat ik tegen mijn fiets begon te praten als de helling steiler bleek dan ik had gedacht. ‘Kom op, jongen, we kunnen het. Nog even. Nog honderd meter. Nog maar vijftig. O nee, het was tweehonderd. Kom op, samen kunnen we het.’ Steeds vaker parkeerde ik mijn fiets naast mijn bed.

Dat was heel anders dan mijn gesprekken met de navigatie-app Navie. Meer dan eens schreeuwde ik rondjes rijdend tegen het schermpje ‘Wat wil je nou! Waar moet ik godverdomme naar toe! Ik snap het niet meer!’ terwijl de zoete stem in mijn oortjes niets anders wist uit te brengen dan ‘Route herbereke… Keer om. Route her… Keer om. Route herbe… Keer om.’ Ik vraag me af of ik ook zo emotioneel gereageerd zou hebben als Navie een mannenstem had gehad.
