Toen ik op de middelbare school zat, hadden we geen e-bikes en batterijverlichting. We hadden wel tegenwind. Er waren twee mogelijke routes, Van Zundert naar Etten-Leur via Rijsbergen, waarbij Rijsbergen de hoek van 90 graden was van een driehoek. Of rechtstreeks naar Etten-Leur, min of meer diagonaal. Niet dat dat iets uitmaakte voor de tegenwind. We moesten altijd over wegen in open gebieden.
Er was met die tegenwind wel iets geks. Iedere keer als we een helse tocht naar school hadden gemaakt, troostten we ons met de rugwind die we op de terugweg zouden hebben. Maar nee, dan was hij gedraaid. En de keren dat we ‘s ochtend rugwind hadden, was de wind later op de dag gedraaid naar tegenwind. Echt waar.
Ik heb al zeven dagen tegenwind. Het is minder pech dan regen, al heb ik die ook gehad. Ook minder pech dan een lekke band, een gebroken riem, of een kromme remschijf. Maar toch. Ik schat dat de tegenwind 20 procent van mijn accucapaciteit opslokt en dat is precies de reden dat ik vandaag niet Curtil-sous-Burnand heb gehaald. In Beaune had ik nog een halve acculading over voor 60 kilometer. Als ik nog een oplaadsessie had gedaan, was ik pas om 22.00 uur op zijn vroegst in Curtil geweest. En dat over een autoweg waar je 90 mag rijden. Niet ik, die gekke Fransen.

Ik haat tegenwind nog meer dan regen. Een regenbui wil nog weleens afdraaien. Tegenwind niet.