Aan de eerstejaars die mijn fiets heeft gekocht,


Mag ik je allereerst feliciteren met de aankoop van je zwarte Gazelle herenfiets? Wat zul je betaald hebben? Een eurotientje misschien. Maar zelfs al heb je er twintig voor betaald, dan nog heb je een goede koop gedaan.
Zoals je ziet zitten er voor en achter nieuwe banden op. Niet zomaar nieuwe banden, maar anti-lekbanden, met een kevlarbrekerlaag. En dan ook nog nieuwe Vredenstein-binnenbanden en mooie glanzende velglinten. De kans dat je een lekke band rijdt is de eerste jaren heel klein. Het gelzadel is vrij van gebruikssporen. De trappers heb ik eind vorig jaar laten vervangen en recentelijk heb ik er een originele Gazelle-koplamp opgezet, die precies past bij het ouderwetse en statige karakter van deze fiets. De Chinese draaibel is de enige frivoliteit die ik me veroorloofde, maar in het drukke stadsverkeer van Utrecht geen overbodige luxe. Gebruik hem met beleid: voetgangers vatten bellen eerder op als agressie dan als een beleefde waarschuwing dat je hen niet omver wil rijden. Boodschappen meenemen is geen probleem door de stevige snelbinders en je jas zal nooit nat worden door de jasbeschermers die ik net had laten vernieuwen. Lees verder

Columnistenwedstrijd

Ik schreef een column voor de columnistenwedstrijd van de Volkskrant, maar legde hem bij de tegoedbonnen en kortingsbonnen en toen ik hem terugvond was alles verlopen. Het is trouwens echt gebeurd. In 1994.

‘Alleen als ik jouw tanden in mag,’ antwoord ik wanneer iemand vraagt of hij mijn bril eens mag opzetten. Ik heb een voorkeur voor monturen die je niet dagelijks ziet, dus ik snap dat mensen zich afvragen wat zo’n afwijkend model voor hún looks doet. Maar een bril is een hulpmiddel, een noodzakelijk kwaad zelfs. Geen feestneus die je zomaar van iemands gezicht trekt. Mijn vrienden weten dat, ze hebben de vraag allemaal gesteld en allemaal hetzelfde antwoord gekregen. Ze weten ook dat ze in mijn huis niets mogen aanraken zonder mijn toestemming. Geen boek, geen dvd, zelfs de afstandsbediening niet. Lees verder

Carlos spreekt Nederlands

(Sines, 25 november 2007)

Carlos spreekt Nederlands. Vijfentwintig jaar geleden werkte hij in een hotel in Portimão aan de Algarve. Jeanine kwam uit Rotterdam. Na een maand was haar vakantie voorbij en vroeg ze of hij met haar mee ging naar Nederland. Ze vroeg het drie keer. Bij de derde keer zei hij ja. Ze vloog terug en hij kwam haar met de trein achterna. Carlos ging in een pizzeria werken. Hij zou voor een Italiaan kunnen doorgaan. Na twee jaar zeiden de mensen, ‘spreek je nou nog geen Nederlands?’. En hij ging Nederlands leren. Jeanine werd zwanger. Ze kregen een dochter. In Zeeland hadden ze een caravan, voor de zomer. Maar toen ging het mis. Jeanine was niet goed in haar hoofd. Carlos belde haar ouders en toen zei hij, ‘ik ben weg’. Nu woont hij al twintig jaar in Sines. Hij is bouwvakker. Zijn dochter spreekt geen Portugees. Ze komt nog wel logeren. Jeanine wil dan mee. Maar met haar in één huis, dat kan ik niet meer, zegt. In een hotel, goed, maar niet in mijn huis. En ik heb een vriendin.

Carlos is 48. Hij heeft een dikke bos grijzend haar. In het woeste borsthaar dat uit zijn openstaande hemd puilt hangt een gouden kettinkje. De latin lover van 25 jaar geleden zit nu diep verstopt, maar hij is er nog wel. Het is een beetje moeilijk, zegt hij, Nederlands praten, ik heb het al zo lang niet meer gedaan. Nederland was goed, zegt hij. Ik had een jaar geen werk en toen kreeg ik geld van de Sociale Dienst. Zomaar! Dat kun je hier wel vergeten. Geen werk, geen geld. Dat gaat niet meer zo gemakkelijk nu, zeg ik. Hij was niet van plan terug te gaan. Wat kost een fles bier nu, in Nederland, vraagt hij. Hij schrikt van de prijs. Twee euro! Koffie ook, zeg ik. Niet normaal. Nee, dat vinden wij ook in Nederland.

Nederlands spreken is beetje moeilijk voor hem, zegt hij. Maar nu komt het allemaal weer naar boven. Hij stoft de oude vergeten woorden af en zet ze op een rij op de bar. Tot straks. Bedankt. Dankuwel. Tot ziens. Godverdomme (je kon er op wachten). Lul. Jouw Nederlands is beter dan mijn Portugees, zeg ik, als je dochter langskomt, spreek je dan geen Nederlands met haar, vraag ik. Hij schudt mismoedig met zijn hoofd. Zoals ik zelf ook al gemerkt heb, tijdsbepalingen zijn het moeilijkst in een andere taal. Hij sprak in de verleden tijd over haar. ‘Dat is vergeten,’ zegt hij somber, hij heeft al jaren geen contact meer met zijn dochter.

Carlos vraagt of ik Zeeland ken. Het was er zo mooi. En weet je, zegt hij, de zee die hier in Sines op de kust slaat, die loopt helemaal door naar Zeeland. Dat is dezelfde zee.