Nooteboom, Barnes, de IAM en Zundert

Ik werd vandaag, eerste paasdag, wakker van de beierende klokken. Ik was even terug in de jaren zestig. We woonden naast een kloostertuin, de toren van St. Trudokerk kon ik in de winter zien, de klok hoorde ik elk uur slaan. Op eerste paasdag luidden ze lang om aan te geven dat ze terug waren uit Rome. Gevuld met paaseieren, die daarna door de paashaas verstopt waren. Ik was wel gedoopt, maar ik was niet gek. Uit Rome vliegende kerkklokken, gevuld met eieren, verdeeld door de paashaas? Dat leek me behoorlijk omslachtig. En ook niet een taak van kerkklokken. In die vroege jaren 60, nog ver voor de Summer of Love, maar na mijn H. Communie, kon je me nog alles wijsmaken, maar die wereldse vermenging van chocolade eieren met het herdenken van de moord op Jezus plantte het zaadje van het atheïsme in me.

Het was niet allemaal koek en ei (hij zei ei, hahaha) thuis, maar ik weet nog precies hoe het voelde, Pasen. De stress van het eieren verven op zaterdag. Dertig, altijd dertig. De zoete spanning van het zoeken naar de paaseieren. Het paasontbijt aan een gedekte tafel in de woonkamer. De nieuwe kleren. De verplichte gang naar de mis, toen nog met het hele gezin. Amper twee uur daarna het paasdiner, met iedere keer de vraag of mijn vader vóór het toetje thuis zou zijn en mijn moeder van wanhoop dood zou neervallen in de keuken omdat de aardappels veel eerder gaar waren dan het vlees. De chocoladevlekken in mijn nieuwe broek. De chocoladevlekken in de bank. En dan moest tweede paasdag nog komen, met die schaal met nog 24 eieren met gortdroge groene dooiers.

Cees Nooteboom, noemt in Rituelen de herinnering een hond die gaat liggen waar hij wil. In Vertrek(punt) schrijft Julian Barnes uitgebreid over de IAM, de involuntary autobiographical memory, bekend van de madeleine van Proust. Zowat heel Barnes’ oeuvre is gebaseerd op het feit dat je je herinnering niet kunt vertrouwen.

Ik moet de warmte die door me stroomde toen ik het gebeier van de paasklokken van de Dom door de harde wind de slaapkamer hoorde binnenwaaien misschien wantrouwen. Maar het was fijn even terug te zijn in Zundert, begin jaren 60.

Cinco

Ik ben opgegroeid in een dorp en volwassen geworden in een stad. (Ik gun het eigenlijk iedereen, ik denk dat je daar een beter mens van wordt.) En hoewel ik niet meer zou kunnen aarden in een dorp, ben ik wel altijd op zoek naar het dorpse. Ik woon in een wijk aan de oostkant van Utrecht, met een dorps karakter en tempo en als ik naar Portugal ga zoek ik ook die kalmte. En die krijg je. In Sines had ik jarenlang een vast restaurant. Als ik er na een interval van een paar jaar weer een maand was kon ik na een paar dagen altijd aan dezelfde tafel gaan zitten, ik hoefde niet te zeggen wat ik wilde drinken en het obligate bakje olijven bleef weg. Bij de pastelaria hoefde ik na de derde keer niet meer te zeggen dat ik vijf broodjes wilde, ze werden naast mijn eerste bica van de dag gelegd. Ik bestel altijd vijf broodjes, al sinds 1988. Drie voor mijn ontbijt, twee voor bij de lunch.

Die fase heb ik nu ook weer bereikt bij de pastelaria aan het eind van de straat. Bij mijn derde bezoek vroeg de eigenaar alleen maar ‘Cinco?’ Vandaag sloot ik achteraan in een lange rij en vanachter de toonbak zwaaide hij met vijf vingers. Ik knikte.

Misschien kan ik toch wel weer aarden in een dorp.

Retour Nürtingen

Treinreis naar het verleden
(Panorama, mei 2005)

Vijfhonderdduizend Nederlanders werden tussen april 1943 en mei 1945 tewerkgesteld in nazi-Duitsland. In het eerste jaar werden werklozen geronseld en jonge jongens die de dienstplichtige leeftijd bereikten. Nadat ze twee jaar afzagen werden ze ook niet bepaald met open armen in Nederland ontvangen. Jack Nouws reisde 60 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog met zijn vader Sjef terug naar Nürtingen onder Stuttgart, voor een antwoord op een vraag die nooit gesteld was. Een postuum interview.

Jef Nouws, kort na de oorlog

Vader Nouws ging nooit op vakantie. Hij maakte met zijn familie een pelgrimsreis naar het Neckardal in de Schwäbische Alb, onder Stuttgart waar bijna alle plaatsnamen eindigen op ‘-ingen’. Een prachtig gebied met weidse dalen, appelboomgaarden, ruïnes en watervallen. Maar boven dit lieflijke landschap zweefde steeds een onheilspellende naam. Bluthardt.

Lees verder