Zundert was een dorp in ontwikkeling in de jaren zestig. De Tuintjes, de straat waarop we vanuit ons huis uitkeken, bestond uit casco’s. In die tijd lieten ze huizen nog enkele weken doorwaaien voor het glas erin ging. Geen hekken eromheen. We konden er in- en uitlopen, op zoek naar pvc-buizen om pijltjes mee te schieten. Nog beter waren de nieuwbouwprojecten Het Laarpark en De Berk. Bergen met zand in De Berk en diepe kuilen in het Laarpark voor kelders en verdiepte garages, heel modern in die tijd. Onze fietsen waren stadsfiets, racefiets, crossfiets en mountainbike ineen. We raceten ermee door de met beukenhagen omgeven smalle paden, we crossten ermee door de boomkwekerijen, stopten bij de aardbeienvelden en reden door met het rode sap op onze kin en zand tussen onze tanden. We beklommen de metershoge bergen grond en stortten ons roekeloos in de bouwputten.

Ik picknickte vandaag aan het Canal du Midi met een pastasalade, cola, een nectarine en een pastel de nata. Achter me liep het fietspad van Bézier naar Narbonne, de banden van de fietsers knarsten op het grind. Van dat grind dat met een pincet uit je knieën moest gepulkt als je gevallen was. De pleister op je knie als teken van je durf.
Het had even geduurd voor ik een goed plekje aan de oever vond, de bootbezitters met hond gebruikten die als uitlaatstrook, de stank was penetrant. Toen was het fijn. Langzaam je eten kauwen. Bootjes kijken. Mijn achterstallige Wordle en Connections spelen. Gebeld met een nicht wier vader, de jongste broer van mijn vader, op sterven ligt. Ik verontschuldigde me bij voorbaat voor mijn afwezigheid bij de uitvaart.

Als je telefoneert kijk je gedachteloos om je heen. In verte ving een hond mijn blik. Een paar minuten later stond hij opeens voor me. Ik heb het niet op honden, ik ben twee keer te vaak gebeten en ik heb als elfjarige ooit een politiehond in opleiding in mijn nek gehad. Kippenvel over mijn lichaam dus toen hij daar opeens verschijnselde. Maar het was een sorry-dat-ik-besta-hond. Ik hoefde zijn blik niet te ontwijken, hij ontweek de mijne. Hij snuffelde aan de voorband van mijn fiets, sloop daarna naar de papieren zak waarin ik al mijn afval had verzameld en vertrok daarna weer. Sorry dat ik besta. Excuus aanvaard.
Voor alle zekerheid controleerde ik de band op roadkill. Hij zag er nog goed uit, na bijna 7000 afgelegde kilometers in twee jaar. De laatste 1600 kilometer heb ik mijn fiets ook als racefiets gebruikt (met 50,71 km/u de berg af) en als mountainbike als ik weer eens niet oplette en kilometers over een gravelpad moest rijden, terwijl de steentjes met een poing vanonder de banden werden gelanceerd. En dat met 20 kilo bagage. Dit is wat anders dan twee keer per week op en neer naar Hilversum fietsen. Zo blij met de verende voorvork en het verend zadel.

Screenshot
Mijn motto was van het begin af ‘Opgeven is een optie’. Ik had van alles verwacht wat de rit voortijdig zou kunnen beëindigen. Een kapotte fiets, een noodsituatie thuis, een mentale inzinking (die had ik op de tweede dag al), chronische diarree, corona, een dwarslaesie na een aanrijding (met een gebroken arm was ik doorgereden), zware tegenwind (lach ik nu om) of slecht weer. Het werd het laatste. Dat dat slechte weer geen hagelstorm, maar een hittegolf zou zijn, had ik dan weer niet verwacht. Maar ervaren fietsers lieten me weten: over de Pyreneeën fietsen met 36 graden in de schaduw, dat is pas geen optie.
Ik geef niet echt op. In plaats van mijn volgende etappe in tweeën te knippen gooi ik hem om. Niet de route van Benjaminse via Thuir over de Pyreneeën, maar naar Perpignan, dicht langs de zee, en daar de trein pakken naar Barcelona.
Het doet toch pijn. Ik had graag de Pyreneeën bedwongen op de fiets, me moeizaam omhoog geworsteld naar Las Illas om me daarna roekeloos naar beneden te storten met de voeten los van de pedalen. Net als vroeger.