Het mannetje met de fiets

Je pompt je banden op en je gaat. Je weet nog niet waarheen. Soms schijnt de zon op je kale kop. Soms waait de wind door je achterovergekamde haar. Soms regen je in je beige regenjas zeiknat en soms doe je je fluorescerende ski-jack uit van het zweet. Maar je gaat. Je hebt een glimmende donkerblauwe fiets, met strakke blinkende spaken. Een zwarte, met oogverblindende velgen. Een metallicblauwe met oude fietstassen, met daarin een pakje brood, een appel en een zakmes. Het licht dat werkt, de snelbinders zijn net vernieuwd en de jasbeschermers zijn nooit kapot. De fietspomp zit er nog op. En daar sta je dan te kijken. Altijd op de eerste rij.
Je bent het mannetje met de fiets. Je verschijnt uit het niets.

Het maakt niet uit waar het is. Je staat er. Het maakt niet uit wat er aan de hand is. Je staat er. Er is bijvoorbeeld een kraan. Kozijnen zweven door de lucht, een container wordt verplaatst, een piano verdwijnt achter een dak. Of een dragline wordt verhuisd. Het maakt niet uit. Stenen stapelen op, zand verdwijnt. Je weet precies hoe zoiets gaat. Je kent het geluid van de motor, het knersen van de laadbak. Daar sta je dan, zwijgend aan de overkant van de straat. Met dat grijze of dat kale hoofd en die ouderwetse veel te grote bril van tien jaar te laat. Die samengeknepen ogen. Je mond een beetje open, tot een streep samengeknepen. En altijd die beige jas, die terlenka broek, die grijze leren schoenen met plastic zolen. Die verkeerde kleurcombinatie met witte sokken.
Je bent het mannetje met de fiets. Je verschijnt uit het niets.

En je staat op die speciale manier: sta je rechts van je fiets, dan hou je het rechterhandvat vast, staat je links, dan het linker. En heel soms ligt je hand midden op het stuur, ook als je ermee loopt. Dat stuurt moeilijk, maar je struikelt niet. Je beheerst als een jongleur je fiets, maar het is een zinloos talent, een vaardigheid van niets.
Je bent het mannetje met de fiets. Je verschijnt uit het niets.

Je hebt een zesde zintuig voor sensatie. Een motoragent met een lasergun midden in de stad, de scheldende automobilist ernaast. Een vrouw in de berm van de provinciale weg, een verloren schoen vlak voor je wiel. Een auto achter een bus in de sluis. Je kijkt naar de groeiende olieplas en zuigt uit je gebit een pitje van de komijnenkaas. Je weet precies waar het gebeurt. Geslipte bromscooters, ingestorte gevels. Als je jouw glimmende fiets ziet staan weet je weer hoe laat het is. Je ziet jou soms zelfs met zijn tweeën staan.
Je bent het mannetje met de fiets. Je verschijnt uit het niets.

En je weet alles. Je kijkt me soms aan en ik zie het verhaal op je lippen staan. Verstand van alles, begrip van niets. Je duikt wat dieper in je kraag. En je denkt aan het kaarten in de kantine. Er was zonder Joop, zonder Harry, zonder Kees niet veel meer aan. En kijk, de kerstverlichting gaat ook weer aan.
Je bent het mannetje met de fiets. Je verschijnt uit het niets.

De versnellingen tikken zacht als je trapt. Het is anders dan op kantoor, maar zoals je vrouw altijd zei: ’Een man die moet toch wat.’ Je dynamo snort in het donker en je stopt voor de schuur. Dan kom je in het stille huis en doet alsof iemand zegt: ‘Was er nog wat?’
En dan zeg je zacht: ‘Nee, niets.’

(eerder verschenen in Zone 5300, 2001)