Retour Nürtingen

Treinreis naar het verleden
(Panorama, mei 2005)

Vijfhonderdduizend Nederlanders werden tussen april 1943 en mei 1945 tewerkgesteld in nazi-Duitsland. In het eerste jaar werden werklozen geronseld en jonge jongens die de dienstplichtige leeftijd bereikten. Nadat ze twee jaar afzagen werden ze ook niet bepaald met open armen in Nederland ontvangen. Jack Nouws reisde 60 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog met zijn vader Sjef terug naar Nürtingen onder Stuttgart, voor een antwoord op een vraag die nooit gesteld was. Een postuum interview.

Jef Nouws, kort na de oorlog

Vader Nouws ging nooit op vakantie. Hij maakte met zijn familie een pelgrimsreis naar het Neckardal in de Schwäbische Alb, onder Stuttgart waar bijna alle plaatsnamen eindigen op ‘-ingen’. Een prachtig gebied met weidse dalen, appelboomgaarden, ruïnes en watervallen. Maar boven dit lieflijke landschap zweefde steeds een onheilspellende naam. Bluthardt.

Is het niet ironisch dat het bedrijf waar je twee jaar gedwongen moest werken zo heette?
“En de oude Bluthardt deed zijn naam eer aan. Na de zoveelste sabotagepoging werd ik naar het kantoor geroepen. Waarom noemde iedereen me ‘Chef’, vroeg hij. ‘Sjef,’ zei ik, ‘zo heet ik.’ Maar hij geloofde me niet, dacht dat ik de chef van de sabotagepoging was. Daarna ranselde hij me af tot ik toe zou geven. Hij heeft toen een tand uit mijn mond geslagen. Daarom sta ik altijd met gesloten mond op de foto.”

Toch ben je ontelbare keren teruggegaan naar die streek. Waar wij ook heengingen, altijd overnachtten we in Frickenhausen.
“In Frickenhausen woonde Karl Weinman. Hij werkte ook bij de Bluthardt Werkzeug- und Maschinenfabrik en hij had een zoon van veertien, Kurt. Ik was daar altijd welkom. Weinman woonde in Amerika en was op bezoek bij zijn zus toen de oorlog uitbrak. Hij kon niet meer terug. Omdat hij te oud was om soldaat te worden moest hij gaan werken. Dat was nou een goede Duitser en zijn vrouw Sophie was een tweede moeder voor me. Ik was nog nooit verder dan dertig kilometer van huis geweest en opeens zat ik zevenhonderd kilometer van huis. Zij zorgden voor mij. Kurt zat trouwens bij de Hitler Jugend. Dat moest wel, maar een uniform maakt je nog geen fascist. We hebben altijd contact gehouden, eerst per brief en later door bezoekjes.”

Ik weet het. Jouw verhalen waren deel van de familiefolklore. Ik herinner me dat we ons zuchtend op een steen lieten zakken als je in jouw steenkolen-Duits een wildvreemde over Bluthardt vertelde. Gelukkig reageerden die mensen wel altijd beleefd.
“Dat kan ik van jou niet zeggen. Het betekende heel veel voor mij om mijn zoon mee te nemen naar de plekken waar ik in de oorlog kwam. Ik heb je de gebouwen van Bluthardt laten zien. We zijn naar de waterval van Urach geweest en we hebben de ruïne van Hohen-Neuffen beklommen. En wat deed jij? Jij zat een boek te lezen of je keek zwijgend de andere kant op. Het spijt me dat ‘altijd maar weer diezelfde verhalen’ je verveelden, maar door alles eruit te gooien voorkwam ik dat ik gek werd. Besef je dat? Ik heb twee jaar afgezien en toen ik eindelijk weer thuiskwam in Zundert werd er over ons gekletst. Want in de Arbeitseinsatz hielp je de oorlogsindustrie van Duitsland op gang houden. Wat had ik moeten doen? Onderduiken? Ik had vier broers, die hadden dan ook moeten onderduiken. Kijk maar eens goed naar die groepsfoto die gemaakt is op ons welkomstfeest. Zie jij iemand blij kijken? Toen jij bijna negentien was ging je in een Biltse villawijk op kamers om te studeren. Toen ik bijna negentien was werd ik in Nürtingen in een barak met wandluis gestopt om dwangarbeid te verrichten. Begrijp je wat dat met iemand doet?”

Is dat dan ook de reden dat je teveel dronk soms? En dat je nooit thuis was? Je kwam altijd te laat voor het eten en áls je er was zei je niets of je viel in slaap.
“Ik geloof dat het eindelijk tot je begint door te dringen. Het heeft twee jaar geduurd voordat ik weer een beetje in mijn oude doen was. Ik had carrière kunnen maken op de grenspost Wernhout-Wuustwezel, maar ik hield het daar niet uit. Ik kon er niet tegen als iemand mij bevelen gaf. Daarom heb ik uiteindelijk een deel van het bedrijf van je opa overgenomen. Ik was het gelukkigst als ik buiten of onderweg was. Met kolen of stookolie op weg naar klanten in het dorp, met muesli en lecithinepoeder op weg naar een natuurvoedingsfabrikant in Twello. Of anders op de akker, schoffelend tussen de aardbeien. Ik had niet zoveel met knusheid. Binnenzitten is niets voor mij, thuisblijven trouwens ook niet. Ik moest er altijd uit, ook naar het buitenland. Hoeveel ooms en tantes ken jij die zo vaak op reis gingen als wij? Waarom kijk je nu weer naar buiten?”

We rijden langs de Rijn. Ik vind dit één van de mooiste treintrajecten van Europa. Ben jij ook via deze route teruggekomen?
“Had je maar beter geluisterd toen ik nog leefde, hè? Het Rode Kruis haalde ons terug, maar de verbindingen waren slecht door de geallieerde bombardementen. We keerden terug in goederenwagons. Goederenwagons, hoor je? Ergens in juni was ik weer thuis. De precieze data weet ik niet meer. De route ook niet. Ik had ooit een kist waarin alle papieren zaten. Daar zit ook een album in met foto’s van de reis terug.”

Dat weet ik. Die kist heb ik. Hij staat op mijn kantoor.
“Zit het notitieboekje er nog in? Ik moest van thuis een dagboekje bijhouden, maar er zit weinig regelmaat in mijn verhalen. Alleen de eerste en de laatste weken. Maar ik kreeg veel brieven van thuis. Ze werden wel geopend door de Duitsers, daarom gingen ze vooral over het weer, de oogst en liefdesperikelen. Het was fijn om dat te lezen, hoe het leven verder ging in Nederland. In september 1944 hield het op. De invasie van Noord-Brabant was toen begonnen.”

Weet je wat ik zo gek vind? Je hebt echt alles bewaard. De brieven die je kreeg. Je verblijfsvergunning, Duitse en Engelse propaganda, bekeuringen wegens overtreding van de avondklok. Alles.
“Het was een houvast in Duitsland en later een manier om niets te vergeten. Maar het schijnt dat veel Duitslandgangers een neiging tot verzamelen en bewaren hebben gekregen. Als je lange tijd ergens gebrek aan hebt gehad ga je er op een andere manier naar kijken. Het is dan net alsof je je meer aan voorwerpen hecht dan aan mensen.”

Daarom ben ik blij dat die kist er is. Dat is een tweede kans om je te leren kennen. Je bent zelf dood, het contact met je lotgenoten in Nurtingen is in 1949 al verwaterd en Bluthardt is begin dit jaar veranderd in een parkeerterrein.
“Ben je in de kelder geweest waar we schuilden voor de afzwaaiers van de bombardementen op Suttgart? De barakken waar we sliepen stonden er nog. En voor de deur waar je stond werd een van ons doodgeschoten door de Amerikanen omdat onze werkkleding op een Duits uniform leek. Nu is het allemaal weg. Nooit gedacht dat ik er zo onverschillig onder zou blijven, maar als je dood bent interesseren materiële zaken je blijkbaar veel minder.”

Terwijl ik nooit gedacht had dat het bezoek aan Bluthardt me zo zou aangrijpen. Als mij dit zestig jaar later nog zoveel doet aangrijpt, dan vraag ik me af wat een Bosniër voelt als hij over zestig jaar de ruïne van het politiebureau ziet waar zijn vader werd gemarteld.
“Hetzelfde als jij en ik, denk ik. We gingen wel vaak terug naar Frickenhausen, maar zelden naar Nürtingen. Ik ben er zelf maar twee keer geweest. Als je nog eens door mijn fotoalbum in de kist bladert zie je uitgelaten jonge kerels op een berg, aan de oever van de Neckar, of grappend en grollend voor een fontein. We plunderden kersenbomen, we gingen in de winter skiën, ver voor het mode was. Ik ging niet terug naar de plek waar ik dwangarbeider was en waar mensen voor mijn ogen doodgeschoten zijn. Maar naar de mensen en plekken in de wijde omgeving, waar ik goed ontvangen ben.
“Jouw probleem is dat je me in Duitsland altijd als een middelbare man zag. Maar ik was een jonge kerel die recht vanonder moeders rokken de wrede werkelijkheid van een oorlogseconomie werd ingeschopt. Opeens was mijn wereld een barak in Nürtingen, met andere jonge kerels uit Nederland, België, Noorwegen en Letland. Samen schiepen we voor onszelf een nieuwe orde die het mogelijk maakte te overleven. Weg van ons dorp, weg van het ouderlijk toezicht. Alleen kon ik over die kant van het verhaal nooit vertellen.
Om op een vergelijking terug te komen: het was als die tijd dat jij ging studeren.”

Ik begin het te begrijpen. Je had er de tijd van je leven. Is dat wat je wil zeggen? Pa?
“Ja. Maar niet doorvertellen.”

Arbeitseinsatz
Door de mobilisatie van miljoenen Duitsers kwamen boerderijen en fabrieken eind 1941 zonder werknemers te zitten en ontstond een grote behoefte aan vervangende arbeidskrachten. In januari 1942 verklaarde Goering het noodzakelijk arbeiders uit de bezette gebieden te verplichten voor de Duitse oorlogsindustrie te werken.
Onder Fritz Sauckel, die de Arbeitseinsatz coördineerde, werden miljoenen Europeanen weggevoerd. In Nederland kreeg Fritz Schmidt de taak Nederlanders te ronselen voor Duitsland. Op 23 maart 1942 werd het Nederlandse Landoorlogreglement, dat werken voor een vijandelijke mogendheid verbood, buiten werking gesteld. Eind maart 1943 waren er al zo’n 230.000 Nederlanders tewerkgesteld. Uiteindelijk liep het door krijgsgevangenschap en razzia’s op tot een half miljoen. Van hen keerden er 30.000 door ziekte en uitputting niet meer terug.
Tussen 1939 en 1945 zijn bijna acht miljoen buitenlandse arbeiders ingeschakeld in de oorlogseconomie. In de wapenindustrie werd uiteindelijk de helft van alle arbeidsplaatsen vervuld door buitenlanders.
Sauckel werd na de processen van Neurenberg op beschuldiging van slavernij opgehangen.
(bron: nl.wikipedia.org)

Enkele van de Nederlanders die met mijn vader bij Bluthardt werkten
Piet Berendorp, Rotterdam
Gerard Bouwmeester, Breda
Frans Hamelink, Maastricht
Kees van Heusden, Roermond
Leo Hoegen, Amsterdam
Wim Hoogstraten, Rotterdam
Gerhart Methorst, onbekend
Piet Nouws, Wernhout
Henk Roland, Amsterdam
Henk (Joep) Thomas, Roermond
A. de Visser, onbekend
K Vissers, onbekend
Th. Witlox, Breda

Uit het dagboekje van mijn vader
“Vanaf 12 Oct heb ik niets meer van thuis gehoord. We zijn erg nieuwsgierig naar bericht van thuis hoe zal de bezetting daar afgelopen zijn? Hier horen we niks meer dan in ‘t bezette Nederlandse gebied niks dan honger en kou en armoe maar als ik maar eenmaal mijn rode kruis bericht van thuis terugkrijg dat ik weggestuurd heb op 8 Dec en 10 Jan. Wat er van komt dat zullen we maar afwachten. Ik heb soms van die echt rare dromen waarna ik soms dagen achtermekaar niet was te spreken. Ben nl. [bang] dat ik thuis kom en dat ik niks meer vind en zo verder maar ik zal er maar niet veel geloof aan hechten.”
(25 januari 1945)