‘Je ne suis pas pressé.’ Dag 10: Naar Petit Moras

Er zijn veel spreekwoorden en gezegden met haast en ze drukken zelden iets goeds uit. Laptoptas vergeten in de metro van Lissabon? Haast. Bril van mijn hoofd gewaaid? Haast. 150 kilometer per dag ingepland? Haast. Vandaag had ik geen zin me te haasten. Ik had een chambre d’hôte geboekt waar ik iets langer van plezier wilde hebben. Van Grigny naar Vienne gefietst en daar de trein naar Valence genomen. In regionale treinen mag je altijd een fiets meenemen. Ik was de negende met een fiets vandaag en dat was voor de treinbegeleider geen probleem, maar voor de overige passagiers wel. Veertig minuten balanceren tussen honden, boze bejaarden, mannen met een sterke lichaams- en mondgeur. Op Vienne werkten de liften niet. In Valence wel, maar ook daar was de lift te ondiep voor een fiets. Een heel rits beleefde Fransen wilde me laten voorgaan, dus ik zei net zo lang ‘Je ne suis pas pressé,’ tot ik als laatste overbleef op het perron en tenslotte met verticale fiets naar beneden ging. Ondanks het gebrek aan haast toch wat blauwe plekken opgelopen.

Lees verder

The walking dead. Dag 9: Naar Grigny

Ik ben een slechte vader. Mijn oudste zoon was 12 toen we samen naar The walking dead gingen kijken. Terwijl ikzelf de IMDb erbij hield omdat ik het vaak zo spannend vond dat ik tevoren wilde weten wat er ging gebeuren. Hij wilde graag kijken. Waarom zei ik geen nee?Zo keken we ook samen naar Game of thrones, ook niet echt geschikt voor iemand van zijn leeftijd. Hij heeft er niets gelukkig niets aan overgehouden. Ook niet aan uren GTA spelen.

Naarmate de seizoenen van TWD vorderden, werd het landschap waarin de serie zich afspeelde desolater. Uitgestorven wegen en straten, zoals ik die de afgelopen doorkruiste.Vooral de kilometerslange landweggetjes zoals hieronder, het asfalt bedekt met bladeren. Je ziet de zombies zo uit het struikgewas wankelen.

Lees verder

Hotelleven. Dag 8: Naar Curtil-sous-Burnand

Ik heb als kind twee keer gekampeerd. Eén keer in Mol, in het jaar dat een windhoos een spoor van vernieling trok van Oost- en Westmalle, via Chaam tot in de Achterhoek. Ik kan me nog herinneren hoe mijn moeder geultjes rond de tent aan het graven was en het tentzeil extra moest vastzetten. Dat waren dan nog de uitlopers van de storm. De tweede keer was ergens aan de kust in Zeeland. Het regende continu en één keer lag het wrakhout een halve meter onder de top van het duin naast onze caravan.

Wat een verademing was het toen we in 1971 met de hele familie naar Duitsland gingen en daar in een hotel sliepen. Sindsdien is vakantie voor mij het luxer hebben dan thuis. Daarmee bedoel ik: in een bed slapen, de ramen kunnen verduisteren, niet hoeven koken, niet hoeven opruimen. Die luxe vind ik al in het allereenvoudigste hotel. Kamperen is niet aan mij besteed, wanneer als logistiek vereist: koken, koffiezetten, jezelf wassen.

Lees verder