‘Je ne suis pas pressé.’ Dag 10: Naar Petit Moras

Er zijn veel spreekwoorden en gezegden met haast en ze drukken zelden iets goeds uit. Laptoptas vergeten in de metro van Lissabon? Haast. Bril van mijn hoofd gewaaid? Haast. 150 kilometer per dag ingepland? Haast. Vandaag had ik geen zin me te haasten. Ik had een chambre d’hôte geboekt waar ik iets langer van plezier wilde hebben. Van Grigny naar Vienne gefietst en daar de trein naar Valence genomen. In regionale treinen mag je altijd een fiets meenemen. Ik was de negende met een fiets vandaag en dat was voor de treinbegeleider geen probleem, maar voor de overige passagiers wel. Veertig minuten balanceren tussen honden, boze bejaarden, mannen met een sterke lichaams- en mondgeur. Op Vienne werkten de liften niet. In Valence wel, maar ook daar was de lift te ondiep voor een fiets. Een heel rits beleefde Fransen wilde me laten voorgaan, dus ik zei net zo lang ‘Je ne suis pas pressé,’ tot ik als laatste overbleef op het perron en tenslotte met verticale fiets naar beneden ging. Ondanks het gebrek aan haast toch wat blauwe plekken opgelopen.

Dit was mijn eerste keer op de ViaRhona. Ik verwachtte permanent langs de Rhône fietsen, maar ik heb aardig wat industrieterreinen, autowegen, spoorlijnen en kale vlaktes gezien.

Ook perziken- en abrikozenboomgaarden. Op een gegeven moment kwam ik achter een club vrouwen in roze wielrenhemdjes terecht. Ik heb ze drie keer ingehaald, omdat ik verkeerd reed. Eén keer haalden ze mij in, net toen ik tegen een boom stond te plassen.

De weg naar Petit Moras werd gehinderd door wegomleidingen. En zo kwam ik bij een wegversperring, die iedereen negeerde, weer tussen de dames terecht, die me voor wilden laten gaan. ‘Je ne suis pas pressé,’ bleef ik maar vriendelijk zeggen.

Er heeft ook echt onthaasting bij me plaatsgevonden, al zou je dat niet afleiden aan mijn snelheid. Als je maar lang genoeg op eentonige wegen rijdt, raak je vanzelf je in een soort trance, je voelt niet meer dat je trapt en op een gegeven moment voel je zelfs je kont niet meer (al weet ik niet of dat een goed ding is). Ik ben ook op de helft nu, dat scheelt. Ik weet dat ik de eindstreep ga halen, vooral omdat ik zelf op elke willekeurige plaats kan trekken. Ik heb mijn reis met een dag verlengd, een stop ingevoegd, de laatste dagen opgeschoven. Morgen slechts 86 kilometer rijden. De afstand Utrecht – Etten-Leur vind ik nu een kippenendje, best grappig.

Bijzonder gastvrij ontvangen in Le Petit Moras, mijn overnachtingsplek. De Nederlands eigenares kende ik al enigszins – daarom wilde ik hier ook overnachten – maar we bleken veel raakpunten te hebben, zelfde werkgever gehad, freelancer, teksten, kinderen in Utrecht. Sinds april baat ze met haar man een chambre d’hôte uit. Het Ik vertrek-accordeonnetje begon onmiddellijk in mijn hoofd te spelen, maar ze zou een saaie aflevering opleveren. Er hoefde niets verbouwd, het bouwkundige rapport was in orde, volgeboekt in augustus. Het was heel prettig om na tien dagen eens lang met iemand in het Nederlands te praten. Ik kan er weer tien dagen tegen.

Ik werd in het gesprek regelmatig afgeleid door kater Sam. Die was ook totaal onthaast.

Wijze lessen van vandaag

  • Plas niet tegen een boom langs de weg, maar ga even een weggetje in, er kan altijd een groep vrouwen in roze wielrenshirts langskomen
  • Scheld niet hardop tegen je navigatie-app, in ieder geval niet in de stad, idioot