Ceci n’est pas papa qui fume une pipe

Begin 5 VWO liet ik wiskunde vallen. In oktober stond ik een 2+ gemiddeld. Dat kwam nooit meer goed. Ik was geboren met een verkeerd brein. De liefde voor beestjes en plantjes deed me kiezen voor scheikunde, biologie en wiskunde, maar mijn talent voor lezen en schrijven bleek groter. Er bleef niet veel over als alternatief vak, alleen economie, Duits en Frans. Economie? Saai! Duits? Schwerewörtertrauma! Frans dus.

Ook dat werd geen succes, maar de leraren op onze middelbare deden hun uiterste best je te laten slagen. Ik had mijn keuze voor Nederlandse taal- en letterkunde al gemaakt, dus waarom zou ik een 4 moeten krijgen voor Frans. Zelfs terwijl er bij het mondeling niet meer uit kwam dan wat gemompel en gestamel kreeg ik een 6-. Ik had achteraf zels een 3 mogen krijgen, want ik haalde een 8,7 voor mijn schriftelijk, het hoogste van al mijn cijfers. Ik was goed in tekstverklaren. Niet in praten.

Tijdens de meerdere verblijven in Portugal, Zuid-Frankrijk en Wallonië ben ik zo vaak gedwongen geweest Frans te praten, dat ik inmiddels aardig in het Frans kan hakkelen. Over meer dan alleen het weer, of de prijs van een hotelkamer. Op weg naar Spanje zal ik zeker driekwart van de tijd in Frankrijk doorbrengen. Ik heb de zinnen al genoteerd voor ‘Waar vind ik een fietsenmaker?’ ‘Kan ik hier de accu opladen?’ en ‘Is hier ergens een winkel in buurt?’ Altijd rekening houden met het ergste.