De honden van Sines

Er stond een hond voor mijn deur. Met dat typische honderige enthousiasme probeerde hij mijn kamer binnen te komen. Ik kon het voorkomen met een knie en een elleboog, maar toen er nog een bij kwam die tegen de deur opsprong moest ik mijn hele lichaam inzetten. Het waren de jachthonden van Frederico, een teef van tien en haar zoon van zes. Ze zijn beter opgevoed dan de honden die hij in 2007 had. Ze blaffen niet.

Gisteravond was het Halloween. De straten vol kinderen die op ramen bonkten. Van Frederico kregen ze niets. We zaten aan de bar. Het was tijd aan de bar te hangen en de afgelopen jaren in te halen. Het viel niet mee. Ik dacht dat ik best kon meekomen in het Frans, maar het was handen- en voetenwerk. ‘Je moet meer oefenen,’ zei Frederico.

We hebben desondanks bijgepraat. Fredemar staat inderdaad te koop, maar zonder Vende-se op het raam. 1 januari 2020 is hij precies veertig jaar de eigenaar. Nu is het klaar. ‘Wat moet ik dan?’ wilde ik vragen, maar hij was me voor. ‘Ik laat het je weten als ik Fredemar heb verkocht. Jij mag altijd met je vrouw en je reusachtige zonen komen logeren. Jij mag in mijn huis komen werken.’ Ik ben ook weer bijgepraat over de plaatselijke politiek en over de spagaat die Portugal moet maken met het toerisme. Het brengt veel geld binnen, maar ook in Sines gooien huiseigenaren de bewoners op straat om een AirBnB te beginnen.

Afgelopen woensdag kwam vriend Rijk met zijn vrouw Ann uit Cascais over. Hij vroeg hoe ik in Sines terecht was gekomen en waarom ik al dertig jaar terugkeer. De eerste vraag was gemakkelijk te beantwoorden. Ik was met een vriend op weg naar Milfontes en we dachten dat we in Sines moesten overstappen. We hadden moeten blijven zitten, het was de laatste bus van die dag. Hij reed voor onze neus weg. Een taxi was te duur en liften lukte niet. We besloten in de omgeving rond te kijken, met Sines als uitvalsbasis. Maar we zagen de prijzen in de restaurants, de bioscoop die elke dag een andere film draaide en het uithangbord van Fredemar met de tekst ‘On parle Français’.

Die tweede vraag was moeilijker. Ik was net afgestudeerd, het leven begon (hahaha) en we kwamen in Sines in een film terecht. Iedere keer als ik hier ben zit ik weer in die film. En ik voel me hier thuis. Fredemar ruikt nog als in 1988. De trappen naar de derde etage kraken het zelfde. Ik val in mijn oude routine die in 1988 begon. Dus eigenlijk is het antwoord op de tweede vraag wel makkelijker. Mijn vader ging op zijn achttiende naar Frickenhausen in Duitsland voor de Arbeitseinsatz. Hij heeft daar drie jaar in een kogellagerfabriek gewerkt. Een van de arbeiders ontfermde zich over hem. Vanaf begin jaren 50 tot diep tot in de jaren 80 ging terug. De Arbeitseinsatz vergelijken met een gemiste bus is misschien ongepast. Maar de erfelijkheid is hetzelfde.

In 1988 liepen overal in het dorp zwerfhonden. Ze sliepen op het strand. Ik kan me een hond herinneren met een slecht genezen gebroken achterpoot. Het was alsof die een extra gewricht had. Ik moet niets van honden hebben, maar het beeld van die honden is me wel bijgebleven. ‘Ga je zondag mee, als ik ga jagen?’ vroeg Frederico. Ik hoopte al dat hij dat zou vragen. Weggaan is teruggaan, maar dat heb ik al gezegd.