Prazeres

Het is een necropolis, een dodenstad. Ja, er zijn verdwaalde graven, maar kerkhof Prazeres bestaat voornamelijk uit imposante bouwwerken. Hier word je niet begraven, maar bijgezet. Prazeres betekent letterlijk ‘pleziertjes’. Het is geen zwarte humor, het kerkhof is vernoemd naar het gehucht Prazeres, dat de slachtoffers van een cholera-epidemie mocht ontvangen. Straat na straat huisjes met opgestapelde kisten. Leuk om gezien te hebben en dat was het wel.

Lees verder

Van top tot teen

Schoenen had ik al eens laten repareren in Portugal, maar naar de kapper was ik nog nooit geweest. Dus toen ik vandaag mijn broodjes had gehaald ging even kijken of de kapper open was. Ik trof een weemoedige man die sip uit het raam zat te kijken, dus ik dacht, ik loop meteen binnen. Dat ik amper Portugees sprak was geen probleem, noch weerhield het hem ervan om de oren van mijn hoofd te kletsen. Gelukkig sprak hij voor een Portugees langzaam en articuleerde hij goed. Helaas zette hij een spatscherm op zijn hoofd.

Mijn haar is geen grote opgave meer, de tondeuse op 6 mm en klaar, maar deze man maakte er nog werk van. Drie verschillende kammen op de tondeuse en mijn nek met een ouderwets scheermes uitgeschoren. Ik maakte af en toe wat meervoudig interpreteerbare geluiden, maar op het laatste begreep ik ‘neve’ en ‘norte’. Sneeuw in het noorden. Ik rekende 6 euro af en rende door de regen met mijn broodjes naar huis. De droge was hing nog aan de lijn. Had ik een jaar of wat geleden ook nooit gedacht dat ik in Portugal bij de kapper zou zitten als de droge was natregende. Maar goed, tot mijn veertigste woonde ik alleen. Ik kan  prima voor mezelf zorgen.

Over schoenen gesproken, die staan weer bij de schoenmaker. Dezelfde schoenen die ik in 2019 in Sines liet verzolen. Voor een habbekrats, maar alle waar naar zijn geld en na een halfjaar moest ik ze in Nederland toch voor het drievoudige opnieuw laten verzolen. Maar hé, schoenen van Van Lier zijn het waard. Ze zijn inmiddels aan het scheuren (ze zijn het ook waard om regelmatig te poetsen, maar ik vergeet het), maar er kunnen nog één keer nieuwe hakken onder en dan is het klaar. Ook al blijven de hakken maar een halfjaar zitten.

De buurmannen vroegen waarom ik naar Portugal ging. Omdat een maand Portugal even duur is als een week Nederland. Eigenlijk een heel Nederlands antwoord. Ik ga naar Portugal omdat het Nederland niet is. Ook heel Nederlands. In het buitenland ontdek
ik dat toch iedere keer, dat ik Nederlander ben, van top tot teen.

 

 

De zon schijnt altijd op Google Street View (fragment)

© Inge Nouws

I’ve seen this happen in other people’s lives
and now it’s happening in mine
(The Smiths –
That joke isn’t funny anymore)

Het was ‘tot de dood ons scheidt’ toen ze trouwden. Niet dat iemand die woorden uitsprak op die vroege zomerdag, omringd door vrienden en familie voor de ambtenaar van de burgerlijke stand. Hijzelf had ze zelfs niet gezegd in zijn huwelijksgeloften die een aantal mensen aan het huilen bracht. Maar hij dacht het wel, sentimentele lul die hij was, tot de dood ons scheidt, de hele dag en ’s avonds, iedere keer als hij naar haar keek, als een verliefde kater, kijk haar nou eens, kijk eens, die vrouw, die prachtige vrouw, die wilde met je trouwen, dacht hij, en ook toen ze in de huwelijksnacht bekaf in bed tegen elkaar in slaap vielen, tot de dood ons scheidt, ja, dramatische romanticus die hij was.
Die dood kwam eerder dan verwacht. Ze waren allebei nog in de bloei van hun leven, zoals mensen dat dan in advertenties in de krant zeggen. Het was geen dood die gepaard gaat met bloederige verminkingen, onmiddellijk, of met uitstel van een nacht, in een kamer met linoleum op de vloer, suizende geluiden van machines en zo’n apparaat met piepjes dat opeens een continue toon geeft. Het was ook geen traag afscheid van elkaar, ingeleid met zware gesprekken in spreekkamers, handen met witte knokkels in elkaar verstrengeld, met pieken van wanhoop en dalen van hoop en vastgrijpen aan vage kuren, diëten, nog snel dit doen en dat laten, stil naast elkaar in bed naar elkaars adem luisteren, toezien op het langzame wegteren, het veranderen in een schim.
Of eigenlijk, nee, het was een combinatie van dat alles, want het was een metaforische dood die hen scheidde, het was hun liefde die als zand tussen hun vingers door weggeglipt was, als een bloem verwelkt, weggelopen als een verwaarloosde kat, als een nachtkaars uitgegaan, tot ze moesten toegeven dat ze het laatste station gepasseerd waren, tot ze zei dat ze moesten praten. In één doorwaakte nacht, met witte knokkels toch, waarin de metaforen zich tot een ondraaglijke last opstapelden, zetten ze er een punt achter.

De scheiding was een zakelijke gebeurtenis. Ze hadden geen ruzie. Ze huurden, ze hadden allebei een baan, ze hadden geen kinderen en geen kunst van betekenis aan de muur. De boeken, dvd’s en cd’s waren allang op de vrijmarkt verkocht of aan de kringloper gedoneerd. Ze ont-deelden mappen op Dropbox en ontzegden elkaar toegang tot de wederzijdse fotostream. Hij had zijn playlist op Apple Music en zij de hare op Spotify. Ze liet de meubels, de auto en Netflix aan hem. Hij bleef zitten waar hij zat en zij zweeg toen ze de deur achter zich dichttrok en vertrok alsof ze totale vreemden waren en dat was dat, een achterstevoren romcom.
Maar ja. Was het maar zo eenvoudig. Het was niet eenvoudig. Het was niet zakelijk. Het was niet ‘jammer maar helaas en nu weer door’, er was iets dood gegaan vanbinnen. De rouw kwam en die was niet metaforisch. Al die clichés in die laatste nacht waarmee ze elkaar van zich af sloegen, dat was om zich te verdoven, om niet te hoeven voelen wat ze weggooiden: het verhaal van de eeuw, de liefde tot de dood ons scheidt. Voor hem tenminste. Als hij dronken op de grond lag en naar het plafond staarde terwijl The Smiths zijn playlist voltetterden – nee, daar word je vrolijk van, van een jodelende Morrissey – kwamen de tranen, niet omdat hij haar zo miste, nou ja niet alleen, maar omdat hij het zo vaak om zich heen had gezien, omdat hij zo netjes het handboek rouwverwerking volgde, die godverdommese voorspelbaarheid van hem waar zij niet meer tegen kon, die hij haatte, maar die deel van hem was en zelfhaat was het laatste waar hij nu behoefte aan had. Al die keren dat vrienden zeiden dat ze hun overleden vader nog zoveel hadden willen zeggen en dat hij nuchter antwoordde dat het blijkbaar niet belangrijk genoeg was geweest om het tegen een levende vader te zeggen.En nu zat hij zelf met al die onbeantwoorde vragen, al die dingen die hij had moeten zeggen, maar die blijkbaar niet belangrijk genoeg waren geweest tijdens een bestaande relatie te zeggen. Natuurlijk had ze snel een ander, zij wel. Zelfhaat en zelfmedelijden, dus drank en briefjes van de buren op zijn deur over muziek na twaalven, gesprekken met de wijkagent en ten slotte de hele boel fris opschilderen en een 52”-tv, een Denon met AirPlay en speakers die niet achter de gordijnen hoefden te staan en zes identieke witte overhemden en weer aan het werk.

Uit: Tegentijd, Te koop op Amazon en Apple books