The walking dead. Dag 9: Naar Grigny

Ik ben een slechte vader. Mijn oudste zoon was 12 toen we samen naar The walking dead gingen kijken. Terwijl ikzelf de IMDb erbij hield omdat ik het vaak zo spannend vond dat ik tevoren wilde weten wat er ging gebeuren. Hij wilde graag kijken. Waarom zei ik geen nee?Zo keken we ook samen naar Game of thrones, ook niet echt geschikt voor iemand van zijn leeftijd. Hij heeft er niets gelukkig niets aan overgehouden. Ook niet aan uren GTA spelen.

Naarmate de seizoenen van TWD vorderden, werd het landschap waarin de serie zich afspeelde desolater. Uitgestorven wegen en straten, zoals ik die de afgelopen doorkruiste.Vooral de kilometerslange landweggetjes zoals hieronder, het asfalt bedekt met bladeren. Je ziet de zombies zo uit het struikgewas wankelen.

Lees verder

Hotelleven. Dag 8: Naar Curtil-sous-Burnand

Ik heb als kind twee keer gekampeerd. Eén keer in Mol, in het jaar dat een windhoos een spoor van vernieling trok van Oost- en Westmalle, via Chaam tot in de Achterhoek. Ik kan me nog herinneren hoe mijn moeder geultjes rond de tent aan het graven was en het tentzeil extra moest vastzetten. Dat waren dan nog de uitlopers van de storm. De tweede keer was ergens aan de kust in Zeeland. Het regende continu en één keer lag het wrakhout een halve meter onder de top van het duin naast onze caravan.

Wat een verademing was het toen we in 1971 met de hele familie naar Duitsland gingen en daar in een hotel sliepen. Sindsdien is vakantie voor mij het luxer hebben dan thuis. Daarmee bedoel ik: in een bed slapen, de ramen kunnen verduisteren, niet hoeven koken, niet hoeven opruimen. Die luxe vind ik al in het allereenvoudigste hotel. Kamperen is niet aan mij besteed, wanneer als logistiek vereist: koken, koffiezetten, jezelf wassen.

Lees verder

Tegenwind in je broekje (met gelpads) en ander ongemak. Dag 7: Niet verder gekomen dan Beaune

Toen ik op de middelbare school zat, hadden we geen e-bikes en batterijverlichting. We hadden wel tegenwind. Er waren twee mogelijke routes, Van Zundert naar Etten-Leur via Rijsbergen, waarbij Rijsbergen de hoek van 90 graden was van een driehoek. Of rechtstreeks naar Etten-Leur, min of meer diagonaal. Niet dat dat iets uitmaakte voor de tegenwind. We moesten altijd over wegen in open gebieden.

Er was met die tegenwind wel iets geks. Iedere keer als we een helse tocht naar school hadden gemaakt, troostten we ons met de rugwind die we op de terugweg zouden hebben. Maar nee, dan was hij gedraaid. En de keren dat we ‘s ochtend rugwind hadden, was de wind later op de dag gedraaid naar tegenwind. Echt waar.

Ik heb al zeven dagen tegenwind. Het is minder pech dan regen, al heb ik die ook gehad. Ook minder pech dan een lekke band, een gebroken riem, of een kromme remschijf. Maar toch. Ik schat dat de tegenwind 20 procent van mijn accucapaciteit opslokt en dat is precies de reden dat ik vandaag niet Curtil-sous-Burnand heb gehaald. In Beaune had ik nog een halve acculading over voor 60 kilometer. Als ik nog een oplaadsessie had gedaan, was ik pas om 22.00 uur op zijn vroegst in Curtil geweest. En dat over een autoweg waar je 90 mag rijden. Niet ik, die gekke Fransen.

Ik haat tegenwind nog meer dan regen. Een regenbui wil nog weleens afdraaien. Tegenwind niet.

Lees verder