Met ‘Alleen als ik jouw tanden in mag,’ beantwoord ik steevast de vraag ‘Mag ik jouw bril eens opzetten?’ Ik heb een voorkeur voor monturen die je niet dagelijks ziet, dus ik snap dat mensen zich afvragen wat zo’n afwijkend model voor hún looks doet. Maar een bril is een hulpmiddel, een noodzakelijk kwaad zelfs. Geen feestneus die je zomaar van iemands gezicht trekt. Mijn vrienden weten dat, ze hebben allen de vraag gesteld en allen hetzelfde antwoord gekregen: ‘Alleen als ik jou tanden in mag.’ Ze weten ook dat ze in mijn huis niets mogen aanraken zonder mijn toestemming. Geen boek, geen cd, zelfs de afstandsbediening niet. Misschien dat we daarom altijd in de kroeg afspreken, daar maakt niemand zich druk over de kringen op de tafels (al vind ik dat je best viltjes kunt gebruiken), de keuze van de muziek of de samenstelling van het gezelschap.
Dat laatste is niet helemaal waar. Een van ons zorgt ervoor dat we altijd naast leuke vrouwen zitten. Door zijn metroseksuele hipsterlook en de manier waarop hij belangstelling weet te veinzen en goedgerichte complimenten plaatst, zijn we hem meestal kwijt voor de laatste ronde. We hebben ermee leren leven dat hij een dwangmatige versierder is en daarbij, als het op de groten regent, druppelt het op de kleintjes.
Laatst sprak hij weer zo’n onverbiddelijke schoonheid aan. ‘Wat heb je mooie tanden,’ zei hij tegen haar. ‘O ja, eh, ik heb een kunstgebit,’ zei ze. Mijn vriend ging plassen en kwam niet meer terug. Het meisje keek een beetje verloren om zich heen en keek me vragend aan. ‘Mag jouw bril eens opzetten?’
(Nooit ingezonden voor een columnwedstrijd)