The ballad of sexual dependency

Ik zat diep weggezakt op de achterbank van een gele taxi, met aan de ene kant mijn toenmalige vriendin en aan de andere kant Russell. Het was mijn eerste bezoek aan New York, en ja, het is een cliché, ik voelde me bij elke hoek die we omsloegen in een decor. Gelukkig hadden we Russell bij ons, zodat we ook andere hoeken omsloegen. Russell kwam uit Boston, maar zoals hij zei, iedereen moet een keer in zijn leven in New York hebben gewoond. Het was vrijdagavond, vernissageavond (vermoed ik). We waren op weg naar de opening van de expositie van ‘a photographer’.

Terwijl we door het decor van Friends, Seinfeld, The Nanny en andere series uit de  jaren 1990 reden, vroeg ik wie de fotograaf was. ‘Heel New Yorks’ (een beleefde vorm van die ken je niet), zei hij, zelfkant van het leven, drank, drugs, seks. Dat klinkt heel erg als Nan Goldin, dacht ik, maar dat is een vrouw en mijn aandacht was alweer afgeleid door het blote feit dat we over 5th Avenue reden, langs het Flatiron Building, naar Chelsea.

In de ramsj van de ramsj kocht ik ooit het fotoboek The ballad of sexual dependency van Nan Goldin. De Volkskrant had een columniste die in New York woonde of had gewoond en die meerdere keren over haar had geschreven. Zelfkant van het leven, drank, drugs, seks. Kort, maar ontoereikend samengevat. Vreemd werk, onscherp soms, overbelicht, rauw, pijnlijk om naar te kijken. En inderdaad, we stonden op de expositie van het nieuwe werk van Nan Goldin, in de Matthew Marks Gallery. De mensen stonden tot op straat met hun wijn en bubbels, de rokers buiten. Heel erg Sex and the City, maar die serie was nog maar net op tv.

Hoe Russell aan een uitnodiging kwam weet ik niet. We voelden ons erg kosmopoliet en de drank en de kaviaar waren gratis. Ik vertelde hem dat ik Nan Goldin kende. Persoonlijk, vroeg hij. Nee, ik ken haar werk, zei ik, ik heb geen idee hoe ze eruitziet. Ze staat naast je, zei hij. Een kleine vrouw met rode krullen. Nan Goldin. Ze was in gesprek, ik durfde niet in te breken en liet mijn kans haar aan te spreken voorbijgaan. Dat was dom, zei Russell, New Yorkers zijn dol op Europeanen.

Om acht uur sloot de galerie. We pakten de metro naar Queens. Daar had een kennis van een kennis van Russell een café geopend. In de openingsweek was het bier anderhalve dollar en waren de hapjes gratis. We eindigden in Williamsburg in een pas geopende club zonder andere gasten, en uiteindelijk in een appartement van een onbekende. Zo hielden Russell en zijn vrienden en huisgenoten het uitgaan betaalbaar. Van vernissage naar nieuwe club, van nieuwe bar naar koud bier in de koelkast van de vriendin van een kennis.

Anderhalf jaar later ben ik nog eens een paar dagen met Russell op stap geweest, langs vernissages met gratis kaviaar en recent geopende cafés met goedkoop bier. Russel nodigde me toen uit om langs te komen in het huis van zijn familie in de Hampton’s.

Op die uitnodiging ben ik niet ingegaan en daar heb ik nog spijt van. Maar nog meer spijt dat ik Nan Goldin niet heb aangesproken.