Cinco

Ik ben opgegroeid in een dorp en volwassen geworden in een stad. (Ik gun het eigenlijk iedereen, ik denk dat je daar een beter mens van wordt.) En hoewel ik niet meer zou kunnen aarden in een dorp, ben ik wel altijd op zoek naar het dorpse. Ik woon in een wijk aan de oostkant van Utrecht, met een dorps karakter en tempo en als ik naar Portugal ga zoek ik ook die kalmte. En die krijg je. In Sines had ik jarenlang een vast restaurant. Als ik er na een interval van een paar jaar weer een maand was kon ik na een paar dagen altijd aan dezelfde tafel gaan zitten, ik hoefde niet te zeggen wat ik wilde drinken en het obligate bakje olijven bleef weg. Bij de pastelaria hoefde ik na de derde keer niet meer te zeggen dat ik vijf broodjes wilde, ze werden naast mijn eerste bica van de dag gelegd. Ik bestel altijd vijf broodjes, al sinds 1988. Drie voor mijn ontbijt, twee voor bij de lunch.

Die fase heb ik nu ook weer bereikt bij de pastelaria aan het eind van de straat. Bij mijn derde bezoek vroeg de eigenaar alleen maar ‘Cinco?’ Vandaag sloot ik achteraan in een lange rij en vanachter de toonbak zwaaide hij met vijf vingers. Ik knikte.

Misschien kan ik toch wel weer aarden in een dorp.

Het boek der rusteloosheid

Ik wilde naar het strand en ik pakte de bus die van het strand vandaan kwam. De metafoor van ergens heen willen en er alleen maar verder verwijderd van raken mag je er zelf bij bedenken. Welkom in mijn leven, zou ik er gemakzuchtig aan toe kunnen voegen.

Ik eindigde bij de veerpont naar Lissabon. Dus ja, waarom ook niet. Het is een overzichtelijk stukje lopen van de Cais de Sodré naar de Cais das Colunas, de trappen die in de Taag verdwijnen. Ze zijn het enige overblijfsel van het paleis dat de tsunami volgende op de aardbeving van 1 november 1755 wegvaagde. Er is nu een stadsstrand aangelegd. Het achterliggende plein, een van de grootste van Portugal is inmiddels grotendeels autovrij gemaakt. Het ligt natuurlijk bezaaid met strooisteppen.

Lees verder

De trekschuit

Mijn lichaam was vorige week vrijdag gearriveerd per vliegtuig, de trekschuit met mijn geest is vandaag pas aangemeerd. Het weerzien was ontroerend. Ik heb er een karafje wijn op gedronken (1,20 euro), een bord tuinbonen met worst en in stukken gehakte spareribs bij gegeten en ondertussen het journaal bij gekeken. Mijn passieve kennis van de taal is na 456 dagen Duolingo enorm vooruitgegaan, maar het gesproken Portugees verstaan is een, met een mondmasker ervoor twee. Gelukkig flitsen er de hele tijd korte samenvattingen en quotes onder in beeld voorbij. Zo ken ik het weer.

Ik zat in het goedkoopste restaurant tot nu toe. Toen mijn eten klaar was klonk er ‘ping’ in de keuken. Het zou een belletje op de balie geweest kunnen zijn, maar ik vermoed dat het de magnetron was. Om me heen mannen alleen, allen met hun gezicht gericht op de tv. De gast voor me nam een Magnum als toetje, ik hield het bij een koffie, een bica zoals ik hem ken, schroeiend heet en bitter als gal, met een nasmaak van karton. Heerlijk. Er kwam een man van beneden de evenaar binnen, Angolees of Mozambiquaan, bijna onzichtbaar onder de leren tassen en armbanden. De eigenaar van de restaurant begroette hem vriendelijk. Ik knikte nee toen hij passeerde.

De in your face-armoede van Lissabon heb ik hier nog niet gezien. Maar er zijn signalen.

‘Almada alleen voor rijken?’

De sovjet-engineering is ook een teken. Het is niet dat het niks mag kosten, maar dat het niets kán kosten.

Vandaag kwam op Twitter voorbij dat Portugezen gedwee zijn. Maar als ik het hier zo eens aanzie zou ik eerder gelaten zeggen. Maakt het uit, verandert misschien niks, maar vooruit dan maar, ze doen maar. Zoiets. Het moet me wel aan het denken zetten. Ik zeg vaak dat ik een Portugees in het diepst van mijn gedachten ben. Er moet een reden zijn waarom ik me hier meteen thuisvoel. Nou ja, meteen. Na een week.