Het is op 14 december 2015 een dingetje op Twitter, over freelancers van wie wordt verwacht dat ze gratis werk afleveren. Hoe zou dat klinken als je dat #tegendebakker zegt?
Ik heb in 1998 een sterk staaltje meegemaakt. Op 7 november 1998 moest ik spreken over literatuur en internet op Het Lezersfeest. Voor niets. Ik zegde toe, maar ik nam de gelegenheid te baat om de organisatie een veeg uit de pan te geven. Het stuk bewerkte ik later op verzoek van het Utrechts Nieuwsblad tot onderstaande tekst.
‘U moet het zien als promotie’
In 1987 verscheen Schrijvers worden misbruikt van Bob den Uyl. Hij vertelt in het titelverhaal op vrolijke wijze hoe er met schrijvers gesold wordt. Kamperen op Rottumerplaat, een gratis literaire bootreis maken en nog een fooi op de koop toe krijgen, op voettocht voor de VARA-radio, gelegenheidsstukjes schrijven, lezingen houden, in panels zitten en in boekhandels signeren. Niets is te gek en alles onder het motto dat het goed voor de verkoop van je boek zou zijn, je naamsbekendheid vergroot of misschien zelfs stof voor een leuk stukje oplevert. Maar zoals Bob den Uyl in 1987 terecht opmerkte: aan welke onzin hij ook meedeed, er volgde nooit een top in de verkoopcurve van zijn boeken. Lees verder
Ik ben in mijn hele leven maar één keer verhuisd en ik kan me er zelf niets meer van herinneren. Gelukkig zijn er foto’s. Mijn ouders konden niet trouwen omdat de suiker nog op de bon was. Daarom moesten ze zeven lange jaren wachten, tot 1955. Toen nam mijn vader een deel van zijn vaders bedrijf over en was hij net in staat een huis te húren. In Zundert, buiten het dorp, vlak bij de Belgische grens. Het was groot en oud en lag aan een beek. De verhalen die mijn moeder erover vertelde klinken het beste in de winter bij de open haard. Mijn oudste zus was een zorgenkindje, zoals dat toen eufemistisch heette. Het tweede kind dat amper een jaar later werd geboren was een huilbaby, omdat toen nog niemand van een koemelkallergie had gehoord. Mijn vader moest in die tijd op zijn knieën naar de Boerenleenbank om geld los te krijgen voor een nieuwe vrachtwagen. Hij kreeg niets. Waarschijnlijk omdat opa een punt had gezet achter de feodale traditie de notabelen van het dorp het beste vlees te geven als er was geslacht. Of omdat de directeur zin had ‘nee’ te zeggen. Hij leende het toen van opa. Het huis was vochtig en niet warm te stoken. In de schuur logeerden bisamratten en de pastoor kwam zeuren dat het tijd werd voor een derde.