‘U bent geen steek ouder geworden,’ zei ik tegen Frederico. ‘Jij wel,’ antwoordt hij. Ik weet niet waarom ik hem nog steeds vousvoyeer. Hij heeft me twee keer meegenomen op jacht, we hebben een nacht lang de hoerententen in de buurt afgereden en we zijn meerdere keren samen straalbezopen geworden, inclusief toen ik mee was op de jacht en we daarna nog zestig kilometer naar huis moesten, grotendeels spookrijdend uit zattigheid. Ik probeer het wel, maar het klinkt niet, ’toi’, tegen hem. We spreken Frans. Het is fijn dat hij vloeiend Frans spreekt. En jammer, mijn actieve Portugees beperkt zich nu tot beleefdheidsfrasen en voldoende kennis van de menukaart om nooit meer gebakken lever of koeienmaag te bestellen.
Ik meende het, over dat ouder worden. Hij is wat kaler en hij heeft een bierbuik, maar zeventig zou ik hem echt niet geven. Het is geen Nederlands fenomeen meer, dat we er na de veertig allemaal tien, twintig jaar jonger uitzien dan onze ouders op dezelfde leeftijd. Ik was 28 toen ik voor de eerste keer in Fredemar logeerde en 47 toen ik hier voor het laatst was. Nu ben ik 56. Oud. Frederico zegt het. Lees verder
