Kantoortjes

Ik wilde ooit beroepsfotograaf worden. Toen ik aan het eind van mijn eerste studiejaar Nederlands een derde van mijn tentamens had gehaald, hield niets me meer tegen om naar de kunstacademie te gaan. Behalve ikzelf dan. Ik werkte de hele collegevrije periode bij een bestrijdingsmiddelenfabriek in Rijsbergen (waar je je handen vooral ook vóór het plassen moest wassen), studeerde ’s avonds keihard en bezocht ook alle eindexamenfeesten van mijn oude middelbare school, waar ik op een daarvan een mooi frêle meisje zoende dat ik later in een leegstaand hotel in Breda uit de kleren praatte voor – want contrast tussen brute ruïne en kwetsbaar naakt – een fotoserie.* Want het bleef wel knagen.

Ik haalde door strategisch plannen voldoende tentamens om mijn propedeuse te halen en maakte mijn studie af. In een enorm traag tempo, want het fotograferen bleef tijd opslokken. Ik fotografeerde toneelstukken van de toneelvereniging van studentenvereniging Veritas, ik maakte concertfoto’s van Genesis, Peter Gabriel, Steve Hackett, en toen mijn muzieksmaak veranderde van Tuxedomoon. Ik werd de chroniqueur van mijn vriendenclub, want ik wist van elke gebeurtenis de datum omdat ik er een foto van had. Later maakte ik bruidsreportages, maar erg goed was ik daar niet in. Er is niets zo erg als een bruidspaar dat komt klagen dat de foto’s van hun mooiste dag, zacht gezegd, tegenvallen. Dat was in het jaar dat ik een Nikon F801 kocht. ‘Een echte Nikon,’ zei ik tegen een bruiloftsgast die hem bekeek. ‘Een echte Nikon heeft maar één cijfer na de F,’ zei hij. Hij was een echte fotograaf. En dat was eigenlijk het einde van mijn ambities.

Ik heb vaak genoeg aan mensen gevraagd of ze een foto van mij en mijn vriendin/vrouw/kinderen/familie wilden maken en altijd zetten die een stap achteruit, in plaats van naar voren. Maar dat deed ik eigenlijk ook altijd. Ik fotografeerde bijna altijd met telelens. Die stap naar voren zetten kon ik gewoon niet. Toen ik jaren later reisreportages maakte zag ik hoe de meereizende fotografen tot op het onbeschaamde afliepen op mensen. Zo moest het. Zo kon ik het niet. Ik kon de afstand niet overbruggen. Terwijl die afstand voor het schrijven van de reportage juist weer goed werkte.

Bedenk zelf de metafoor van de telelens.

Een lange inleiding om te verklaren waarom ik geen fotoreportage heb gemaakt van Portugese kantoortjes. Al sinds 1986 verbaas ik me erover. Loop door een buitenwijk van een stad, of een willekeurige straat van een dorp en altijd is er ergens een kantoortje met alleen een bureau en stoel. De muren zijn groenig, gelig, blauwig, wittig. Tegels op de vloer.  Soms hoge plafonds. Meestal staat er nog wel een kast, maar ook niet altijd. Soms een poster aan de muur. Op het bureau een stapel papieren. Dossiers, folders, wat dan ook, en vanaf de jaren 2000 natuurlijk een computer of laptop. Van sommige maakt de lichtbak aan de gevel duidelijk wat hun functie is. Het gasbedrijf. Verzekeringen. Iets onduidelijks. Maar ondanks die variatie zijn ze allemaal hetzelfde, of het meubilair nu uit de jaren zestig is of van Ikea komt. En altijd zit er de hele dag een man of een vrouw. Wat doet die daar? Wachten op een klant? En waarom staat de deur (aluminium, kunststof) altijd open? Het mooist zijn ze ’s avonds. Want ook hier brandt dat onbarmhartige felle licht, af ertoe nog die tl-balken, steeds vaker de led-spots in een verlaagd plafond. Abstract. Absurdistisch. Wes Anderson.

Ze doen me denken aan de kantoortjes die ik in 2009 in Sri Lanka zag (maar dan toch iets minder afgeragd). Dus. Ik loop er voorbij. Ik verbaas me. Als er een fotograaf is die er iets in ziet, graag gedaan.


*) Ik maakte een fout bij het ontwikkelen van de negatieven, waardoor het resultaat niet veel soeps was