Columnistenwedstrijd

Ik schreef een column voor de columnistenwedstrijd van de Volkskrant, maar legde hem bij de tegoedbonnen en kortingsbonnen en toen ik hem terugvond was alles verlopen. Het is trouwens echt gebeurd. In 1994.

‘Alleen als ik jouw tanden in mag,’ antwoord ik wanneer iemand vraagt of hij mijn bril eens mag opzetten. Ik heb een voorkeur voor monturen die je niet dagelijks ziet, dus ik snap dat mensen zich afvragen wat zo’n afwijkend model voor hún looks doet. Maar een bril is een hulpmiddel, een noodzakelijk kwaad zelfs. Geen feestneus die je zomaar van iemands gezicht trekt. Mijn vrienden weten dat, ze hebben de vraag allemaal gesteld en allemaal hetzelfde antwoord gekregen. Ze weten ook dat ze in mijn huis niets mogen aanraken zonder mijn toestemming. Geen boek, geen dvd, zelfs de afstandsbediening niet. Misschien dat we daarom altijd in de kroeg afspreken, daar maakt niemand zich druk over de kringen op de tafels (al vind ik dat je ook daar best viltjes kunt gebruiken), de keuze van de muziek of de samenstelling van het gezelschap. Dat laatste is niet helemaal waar. Een van ons zorgt dat we altijd naast leuke vrouwen zitten. Door zijn metroseksuele hipsterlook en met de manier waarop hij belangstelling veinst en goedgerichte complimenten plaatst, zijn we hem meestal kwijt voor de laatste ronde. We hebben ermee leren leven dat hij een dwangmatige versierder is en daarbij, als het op de groten regent, druppelt het op de kleintjes. Hopen we. Laatst sprak hij weer zo’n onverbiddelijke schoonheid aan. ‘Wat heb je mooie tanden,’ zei hij tegen haar. ‘Dat komt omdat ze vals zijn,’ zei ze. Mijn vriend ging plassen en kwam niet meer terug. Het meisje keek een beetje verloren om zich heen en draaide zich naar mij toe. ‘Mag jouw bril eens opzetten?’ vroeg ze.