Sines est mort

Het voordeel van terugkeren is dat je weet wat je aantreft. Het nadeel is dat je dat maar moet afwachten. Ik heb door dertig jaar foto’s gekeken en gezien dat veel van de leegstaande huizen toen ook al leegstonden. Sines was in 1988 al een dorp in de overgang. Van vissersdorp naar havenstad. Bijna dertig jaar geleden was het dat ook al. Alleen was het toen drukker met werk. Honderden, misschien wel duizenden mannen uit heel Portugal werkten aan de haven, aan de raffinaderijen, aan de wegen. Ze moesten allemaal eten, sommigen moesten slapen. Veel moesten er neuken en als ik de verhalen goed begrijp werd daar ook voor gezorgd. Elke dag draaide er een andere pornofilm in de bioscoop, het dorp stond vol reclameborden met het aanbod.

We hadden zoiets nog nooit gezien en ik denk dat in heel Portugal met verbazing naar Sines werd gekeken. De prachtige baai, bijna vergelijkbaar met die van Donostia (San Sebastian), werd deels dichtgegooid. Vrachtwagens reden af en aan over een stoffig circuit. Uiteindelijk zou alles mooier en beter worden. Maar dat is het niet geworden. Ik vergeleek Sines ooit met Etten-Leur, dat in de Derde Nota Ruimtelijke Ordening, de voorloper van Vinex, werd aangewezen als groeikern. Net als Nieuwegein en Zoetermeer moest het de bevolkingsgroei van de grote steden opvangen. Etten-Leur werd nooit een echte stad en de geplande industrie zette er niet door. Dat is de enige overeenkomst.

‘Waarom staan bijna alle panden hier in de straat leeg?’ vraag ik aan Frederico.
‘Sines is dood,’ zegt hij.
‘Dit is het historisch centrum, waarom gebeurt er niets met die huizen? Daar liggen kansen.’
‘De oude mensen gaan dood. Hun kinderen willen het huis niet. Die hebben al ergens anders een huis.’ Frederico haalt zijn schouders op.
‘Hoeveel mensen wonen er in Sines?’ vraag ik.
‘Vijftienduizend, denk ik.’

Ik begrijp het niet. Er staat een cultureel centrum dat in een willekeurige stad niet zo misstaan. Het heeft miljoenen gekost. Waarom niet het oude dorp helemaal restaureren? Het is de geboorteplaats van Vasco da Gama, van de dichter Al Berto, die inmiddels mythische proporties begint te krijgen, er is al een gebakje naar hem vernoemd. Maak er B&B’s van, weet ik veel.
‘Er is hier niks voor toeristen,’ zegt Frederico.
‘Ja, dat zei u al een keer.’

Sines is echt kapotgemaakt, al zullen de Sineensen dat niet zomaar zeggen, daarvoor zijn Portugezen te trots en te vaderlandslievend, overal hangen Portugese vlaggen. Ik heb een zwak voor alles wat kapot is, imperfect, half, onvoltooid. Ik ben een perfectionist en tegelijk trek ik een rammelende sliert van halfheid, onafheid en onvoltooidheid achter me aan. Blinkend gerestaureerde panden naast een bouwval. De raffinaderijen die jarenlang 24 uur per dag draaien hebben hun wrede schoonheid, vooral in de nacht, ik hou van die contrasten in Sines, de niets-aan-de-hand-houding van de mensen die er het beste van proberen te maken.

De foto’s van het oude Sines aan de wanden van de restaurants zeggen
ondertussen genoeg.