dec 2008
Louise•Michel
16 december 2008, 16:39
Binnenkort in de bioscoop. Leuk!
(Ik vraag me nog af of er een relatie bestaat tussen de film en de Franse anarchiste Louise Michel en het Parijse metrostation Louise Michel.
Uiteindelijk is poep goud waard
04 december 2008, 01:41

Goud is goud, maar een toilet (waar ook van alles in gepleurd wordt) leert ons veel over het dagelijks leven. Veel interessanter dan een goudstuk. Wat dat betreft is het voor de volgende generaties jammer dat in Nederland het afval naar de verbrandingsoven gaat. In de VS storten ze nog steeds alles. Dat is pas archeologie over duizend jaar!
Een reisje terug in de tijd
02 december 2008, 22:33
Onderstaande
brief schreef ik alweer elf jaar geleden (ik heb een
talent voor het missen van afgeronde jubilea). Wat
een onbezonnen enthousiasme. Dat bleek te werken,
want ik werd uitgenodigd door Martha Terstegge, die
me 10.000 gulden (4.500 euro) te beschikking stelde
voor Singel Singel Schrijfmasjien. Er was sprake van
een derde 'tien jaar later'-editie, maar daar zijn we
niet meer aan begonnen. Ik heb deze brief uit de
MacOS 8.6 met WP 3.0a-krochten getrokken, toen ik een
uitnodiging kreeg voor de uitreiking van de CSS Crone
Prijs 2008 aan Ingmar Heytze.
Een paar dingen zijn namelijk wel gelukt, aandacht voor schrijvers uit Utrecht en het instellen van een Utrechtse Literatuurprijs. C.C.S. Crone is ook een goede naam voor een Utrechtse prijs, want minder beroemd en bereisd dan Slauerhoff en dat past wel bij de Utrechtse mentaliteit. In 2002 won Manon Uphoff, in 2004 Ronald Giphart en voor 2006 verwachtte iedereen Ingmar Heytze, want dat is de derde van de Grote Utrechtse Drie. Het werd Arthur Japin. In 2008 dus gerechtigheid voor Ingmar. Bij mij staat hij qua voetstuk een beetje wiebelig te balanceren naast Menno Wigman, maar die laatste komt niet uit Utrecht. Hoe nu verder met deze tweejaarlijkse prijs? Bert Natter is een goeie, maar die heeft nog maar één roman geschreven. Vrouwkje Tuinman zou kunnen, maar die heeft al het C.C.S. Crone-stipendium gewonnen. En het is toch een soort van oeuvre-prijs, heb ik begrepen. Wat dat betreft was Dirkje Kuik een goede geweest, maar die is dood, een gemiste kans, twee jaar geleden. Tommy Wieringa heeft zich gedistantieerd van zijn Utrechtse periode en Hagar Peeters woont in Amsterdam.
Afijn. Mijn persoonlijke situatie is nog niet veel veranderd. Ik heb laatst overwogen postbode te worden en mijn werkplek is een onverwarmde schuur in de binnenstad van Utrecht geworden. En broodschrijven houd je van het echte werk af, het is echt waar.
Ik ben nog steeds voor subsidies aan schrijvers. Maar niet aan gevestigde. Aan het opkomende talent.
---
Jack Nouws
Korte Smeestraat 6
3512 NX UTRECHT
www.casema.net/~jnouws
College van B en W
Dienst Culturele Zaken
Postbus 16200
3500 CE UTRECHT
Utrecht, 5 december 1997
Referentie: B&W DCZ 971205
Betreft: Stimulering Utrechtse literaire kunst
Aan de Burgemeester en Wethouders,
‘Het werken aan Het grote verlangen was mede mogelijk dank zij een stipendium van de gemeente Rotterdam’ staat voor in dit boek van Marcel Möring. Hij kreeg er de AKO-prijs voor in 1993. Het verband tussen het krijgen van dat stipendium en het krijgen van de AKO-prijs zal nooit te bewijzen zijn, maar voor mij als schrijver staat dat vast.
Een kort bezoek aan de Dienst Culturele Zaken bracht mij tot het ontnuchterende inzicht dat er in Utrecht diverse regelingen zijn voor beeldende kunstenaars. Stipendia, subsidies, gemeentelijke opdrachten, (tijdelijke) ateliers, voor elke beeldend kunstenaar zijn er openingen en mogelijkheden.
Voor de beoefenaars van de literaire kunst in Utrecht is er echter niets geregeld. En dat terwijl de literaire kunst in Utrecht, voor het eerst sinds het Interbellum, weer bloeit. Ronald Giphart, Manon Uphoff, Tommy Wieringa, Arjan Witte, Ingmar Heytze, Lernert Engelberts, Hagar Peeters, Jerry Goossens, Daniëlle Serdijn en ik zijn de namen die de laatste vijf jaar veelvuldig zijn gevallen. En terwijl wij nog niet eens allemaal volledig doorgebroken zijn, horen we de trappelende voeten van de nog onbekende debutanten alweer achter ons.
Wij allemaal stuiten echter op praktische problemen die, soms praktisch, soms financieel van aard zijn. Werken voor de kost houd je af van het werken aan je nieuwste boek. Terwijl er een aanbod is aan ateliers voor beeldend kunstenaars, is er niets geregeld voor schrijvers en al denkt iedereen dat je overal kunt schrijven, een een- of tweekamerwoning is daarvoor niet de meest ideale omgeving.
Het doel van mijn brief is tweeledig.
Ten eerste wil ik een stipendium aanvragen voor het schrijven van mijn tweede roman. Het contract daarvoor ga ik op 12 december 1997 tekenen bij Nijgh & van Ditmar. Een stipendium neemt de noodzaak bij me weg om te gaan ‘broodschrijven’ of zelfs aan de lopende band te gaan staan. Aangezien ik na elfenhalf jaar nog steeds niet in aanmerking schijn te komen voor een driekamerwoning, kan ik het geld ook eventueel gebruiken om dan toch maar een schrijfkantoor te gaan huren.
Ten tweede wil ik u vragen om de literaire kunst in Utrecht op een reguliere wijze te gaan stimuleren. Dat kan bijvoorbeeld door de oprichting van een ‘Utrechts Fonds van de Letteren’, door het instellen van reguliere stipendia voor schrijvers en dichters, of zelfs door het instellen van een gemeentelijke prijs. De Slauerhoff-prijs zou een goede naam zijn, aangezien Slauerhoff zowel proza als poëzie schreef. Verder is de oprichting van een ‘schrijvershuis’ een mogelijkheid. Ik weet zeker dat hiermee het toch al hoge niveau van de Utrechtse literatuur zal worden gestimuleerd. Ik heb over deze voorstellen wel meer ideeën, maar die kan ik, in gezelschap van ander Utrechtse schrijvers met welomschreven ideeën, eventueel wel mondeling toelichten.
Ik hoop dat u gevoelig bent voor mijn argumenten en hoor graag van u,
Hoogachtend,
---
PS Ik woon al negen jaar niet meer op dat adres en dat e-mailadres bestaat ook niet meer.
Een paar dingen zijn namelijk wel gelukt, aandacht voor schrijvers uit Utrecht en het instellen van een Utrechtse Literatuurprijs. C.C.S. Crone is ook een goede naam voor een Utrechtse prijs, want minder beroemd en bereisd dan Slauerhoff en dat past wel bij de Utrechtse mentaliteit. In 2002 won Manon Uphoff, in 2004 Ronald Giphart en voor 2006 verwachtte iedereen Ingmar Heytze, want dat is de derde van de Grote Utrechtse Drie. Het werd Arthur Japin. In 2008 dus gerechtigheid voor Ingmar. Bij mij staat hij qua voetstuk een beetje wiebelig te balanceren naast Menno Wigman, maar die laatste komt niet uit Utrecht. Hoe nu verder met deze tweejaarlijkse prijs? Bert Natter is een goeie, maar die heeft nog maar één roman geschreven. Vrouwkje Tuinman zou kunnen, maar die heeft al het C.C.S. Crone-stipendium gewonnen. En het is toch een soort van oeuvre-prijs, heb ik begrepen. Wat dat betreft was Dirkje Kuik een goede geweest, maar die is dood, een gemiste kans, twee jaar geleden. Tommy Wieringa heeft zich gedistantieerd van zijn Utrechtse periode en Hagar Peeters woont in Amsterdam.
Afijn. Mijn persoonlijke situatie is nog niet veel veranderd. Ik heb laatst overwogen postbode te worden en mijn werkplek is een onverwarmde schuur in de binnenstad van Utrecht geworden. En broodschrijven houd je van het echte werk af, het is echt waar.
Ik ben nog steeds voor subsidies aan schrijvers. Maar niet aan gevestigde. Aan het opkomende talent.
---
Jack Nouws
Korte Smeestraat 6
3512 NX UTRECHT
www.casema.net/~jnouws
College van B en W
Dienst Culturele Zaken
Postbus 16200
3500 CE UTRECHT
Utrecht, 5 december 1997
Referentie: B&W DCZ 971205
Betreft: Stimulering Utrechtse literaire kunst
Aan de Burgemeester en Wethouders,
‘Het werken aan Het grote verlangen was mede mogelijk dank zij een stipendium van de gemeente Rotterdam’ staat voor in dit boek van Marcel Möring. Hij kreeg er de AKO-prijs voor in 1993. Het verband tussen het krijgen van dat stipendium en het krijgen van de AKO-prijs zal nooit te bewijzen zijn, maar voor mij als schrijver staat dat vast.
Een kort bezoek aan de Dienst Culturele Zaken bracht mij tot het ontnuchterende inzicht dat er in Utrecht diverse regelingen zijn voor beeldende kunstenaars. Stipendia, subsidies, gemeentelijke opdrachten, (tijdelijke) ateliers, voor elke beeldend kunstenaar zijn er openingen en mogelijkheden.
Voor de beoefenaars van de literaire kunst in Utrecht is er echter niets geregeld. En dat terwijl de literaire kunst in Utrecht, voor het eerst sinds het Interbellum, weer bloeit. Ronald Giphart, Manon Uphoff, Tommy Wieringa, Arjan Witte, Ingmar Heytze, Lernert Engelberts, Hagar Peeters, Jerry Goossens, Daniëlle Serdijn en ik zijn de namen die de laatste vijf jaar veelvuldig zijn gevallen. En terwijl wij nog niet eens allemaal volledig doorgebroken zijn, horen we de trappelende voeten van de nog onbekende debutanten alweer achter ons.
Wij allemaal stuiten echter op praktische problemen die, soms praktisch, soms financieel van aard zijn. Werken voor de kost houd je af van het werken aan je nieuwste boek. Terwijl er een aanbod is aan ateliers voor beeldend kunstenaars, is er niets geregeld voor schrijvers en al denkt iedereen dat je overal kunt schrijven, een een- of tweekamerwoning is daarvoor niet de meest ideale omgeving.
Het doel van mijn brief is tweeledig.
Ten eerste wil ik een stipendium aanvragen voor het schrijven van mijn tweede roman. Het contract daarvoor ga ik op 12 december 1997 tekenen bij Nijgh & van Ditmar. Een stipendium neemt de noodzaak bij me weg om te gaan ‘broodschrijven’ of zelfs aan de lopende band te gaan staan. Aangezien ik na elfenhalf jaar nog steeds niet in aanmerking schijn te komen voor een driekamerwoning, kan ik het geld ook eventueel gebruiken om dan toch maar een schrijfkantoor te gaan huren.
Ten tweede wil ik u vragen om de literaire kunst in Utrecht op een reguliere wijze te gaan stimuleren. Dat kan bijvoorbeeld door de oprichting van een ‘Utrechts Fonds van de Letteren’, door het instellen van reguliere stipendia voor schrijvers en dichters, of zelfs door het instellen van een gemeentelijke prijs. De Slauerhoff-prijs zou een goede naam zijn, aangezien Slauerhoff zowel proza als poëzie schreef. Verder is de oprichting van een ‘schrijvershuis’ een mogelijkheid. Ik weet zeker dat hiermee het toch al hoge niveau van de Utrechtse literatuur zal worden gestimuleerd. Ik heb over deze voorstellen wel meer ideeën, maar die kan ik, in gezelschap van ander Utrechtse schrijvers met welomschreven ideeën, eventueel wel mondeling toelichten.
Ik hoop dat u gevoelig bent voor mijn argumenten en hoor graag van u,
Hoogachtend,
---
PS Ik woon al negen jaar niet meer op dat adres en dat e-mailadres bestaat ook niet meer.












