Passanten

Ik dacht dat ze iets met de organisatie van het carnaval in Sines te maken hadden. Twee jonge mannen in het zwart gekleed, met verfomfaaide hoge hoeden, negentiende-eeuws aandoende vestjes met glimmende knopen en ruimvallende broeken van een dikke stof. De ene had ook nog een knoestige wandelstok bij zich. Het waren Duitsers en toen ze wegliepen bleken ze bagage bij zich te hebben, gedraaid in plastic tassen waarvan de opdruk was vervaagd. Zoveel vragen borrelden in me op terwijl ze daar zaten op het Terras van Vela d’Ouro. Ondertussen keek niemand naar ze om, keek niemand ze na toen ze wegkuierden op hun zware laarzen. Lees verder

Mijn eerste verhuizing

heerdgang21Ik ben in mijn hele leven maar één keer verhuisd en ik kan me er zelf niets meer van herinneren. Gelukkig zijn er foto’s. Mijn ouders konden niet trouwen omdat de suiker nog op de bon was. Daarom moesten ze zeven lange jaren wachten, tot 1955. Toen nam mijn vader een deel van zijn vaders bedrijf over en was hij net in staat een huis te húren. In Zundert, buiten het dorp, vlak bij de Belgische grens. Het was groot en oud en lag aan een beek. De verhalen die mijn moeder erover vertelde klinken het beste in de winter bij de open haard. Mijn oudste zus was een zorgenkindje, zoals dat toen eufemistisch heette. Het tweede kind dat amper een jaar later werd geboren was een huilbaby, omdat toen nog niemand van een koemelkallergie had gehoord. Mijn vader moest in die tijd op zijn knieën naar de Boerenleenbank om geld los te krijgen voor een nieuwe vrachtwagen. Hij kreeg niets. Waarschijnlijk omdat opa een punt had gezet achter de feodale traditie de notabelen van het dorp het beste vlees te geven als er was geslacht. Of omdat de directeur zin had ‘nee’ te zeggen. Hij leende het toen van opa. Het huis was vochtig en niet warm te stoken. In de schuur logeerden bisamratten en de pastoor kwam zeuren dat het tijd werd voor een derde. Lees verder