maisquenada.archief7

eXTReMe Tracker
maisquenada.archief 1
(februari, maart, april)

maisquenada.archief 2
(april, mei, juni)

 maisquenada.archief 3
(juli, augustus)

 maisquenada.archief 4
(september, oktober, november, december)

 maisquenada.archief 5
(januari, februari, maart, april)

 maisquenada.archief 6
(mei, juni, juli, augustus)

 

 Vincent van Gogh

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


23 december 2003

On choisit en cuisine

Brussel in de regen. Het móet gewoon regenen in Brussel. Ik zie Jacques Brel lopen, diep weggedoken in een winterjas die naar natte hond ruikt. Of ben ik in de war met Hans van Mierlo, in zijn beroemde spotje voor D66? Maakt het uit.

Ik neem mijn meisjes altijd mee naar Brussel. Een verscheurde stad, letterlijk en figuurlijk. De bulldozers van de projectontwikkelaars aan de ene kant, de Wallons en de Flaminganten aan de andere. En toch heeft Brussel een levendigheid en vrolijkheid behouden die aanstekelijk is. Schoonheid die je moet zoeken lijkt bevredigender dan opdringerige architectuur en opgefolte sfeer. Het frietkot achter de Beurs wordt nu gerund door Russen en de Belg die je bij het stoplicht van achter ramt zegt nu met een Noord-Afrikaans accent 'Dedju' (ik heb een trekhaak). Een echte grote stad.

Om je meisje te laten voelen wat jij voelt moet je haar niet meenemen naar de terrassen op Grote Markt of de visrestaurants in de Beenhouwersstraat. Ga naar A la Mort Subite in de Warmoesstraat, een van de mooiste cafés van Brussel. Het interieur heeft er de tand der modernisering heeft doorstaan. De vergeelde muren zijn nooit opnieuw gewit, de tafeltjes zijn er wankel en de bediening is er vlot, vriendelijk en tweetalig. Aan de muur hangt een foto van Brel in een café. Zou dat hier geweest zijn, Brel met zijn paardengrijns achter een gueuze? Vanaf hier heb je uitzicht op de grote Breltentoonstelling. Het zou passend zijn.

Het is een lange wandeling naar het Zuidstation, maar het is de moeite waard. Je passeert de Grote Markt, Manneken Pis en ontelbare donkere straten, cafés, eettentjes, kapperszaken en helaas ook de pest van de grote stad, de belwinkel. Rondom het Zuidstation zitten van oudsher de mediterrane immigranten, de Spanjaarden, de Portugezen en de Grieken. Op de Avenue de la Porte de Hal 60 zit Le Cheval de Troie, waar je in de keuken aanwijst wat je wilt eten. Een norse kok legt uit wat er in de pannen staan te sudderen en in de oven ligt te braden. Lamsvlees, moussaka, gevulde paprika's, aardappelen, bonen, kabeljauw, kip. Het ziet er niet uit als de borden met overdadig gegrild vlees, zoals je die in Nederland ziet. En het smaakt ook anders, goddank.

Midden in de zaak zit oma, omringd door kinderen en kleinkinderen. Af en toe loopt een groepje jongens met zware wenkbrauwen binnen. Ze groeten de familie en na een omhelzing en een kus gaan ze weer weg. Je meisje kijkt gegarandeert verliefd, terwijl ze van de huiswijn nipt.

Terwijl we er die dag zitten vliegt opeens de deur open en een jonge vrouw met hoofddoek gilt dat ze haar willen vermoorden. Voor de deur verzamelt zich een groepje schreeuwende mensen. De gemoederen worden gesust en de vrouw gaat weer naar buiten. Daar wordt onmiddellijk de achtervolging ingezet.

'Moest ik dan partij kiezen?' zegt oma. 'Misschien was zij die hier binnen stond wel de kwaaie.' Ze legt haar hand op haar hart om van de schrik te bekomen. 'Ze lopen hier met hun hoofddoekjes zodat ze eruitzien als, kom hoe heet ze ook alweer, de moeder van Jezus...' 'Maria,' zeg ik behulpzaam. 'Maria, ja. Maar ze bidden naar een heel andere god.' Ze zucht. Een Griekse oma, die nog steeds naar haar Franse woorden moet zoeken, nog niet zo lang geleden de immigrant die moest vechten voor haar positie. Terwijl het groepje buiten uiteenvalt hoor ik Jacques Brel in mijn hoofd neurieën:

La ville s'endormait

Et j'en oublie le nom

Et vous êtes passée

Demoiselle inconnue

À deux doigts d'être nue

Sous le lin qui dansait.

 

Le Cheval de Troie, Hallepoortlaan 60, dagschotels zes euro, compleet menu voor twee 30 euro.


20 december 2003

Jasper

 
Jacob Nelis Maria (Jasper) Nouws, 20-12-2003, 16.54, 53 cm, 3710 gram


19 december 2003

De inktpot

Soms vallen dingen zo mooi in elkaar dat je bijna doodgaat van jaloezie. Albo Helm en Niels Bonger bedachten een stripblad (vooruit: beeldblad) voor Utrecht en de naam lag al te wachten: de Inktpot is de bijnaam voor het majestueuze hoofdgebouw III van de Nederlandse Spoorwegen. Het bakstenen gebouw is na de Domtoren het kenmerkendst voor de stad. De Inktpot! Ach! Alleen voor deze naam had ik al een Utrechts literair tijdschrift willen oprichten. Of een Utrechts literair festival organiseren. Maar helaas, de striptekenaars waren me voor.

Ik gun het ze. De Inktpot is een podium voor de Utrechtse striptekenaars en cartoonisten. Nooit geweten dat er zoveel waren. We hebben het allemaal aan het Utrechts Universiteitsblad (U-blad) te danken, dat al jaren een kweekvijver is voor de Volkskrant voor journalisten en voor de hele wereld voor tekenaars. Waaronder de beste politieke cartoonist van Nederland, Jos Collignon. (Ook niet vergeten: Oscarwinnaar Piet Kroon en Fokke & Sukke-tekenaar Jean-Marc van Tol)

De Inktpot werd op 14 november gepresenteerd in de Hut-Spot, een nieuw cultureel ontmoetingscentrum gevestigd in een voormalig ranzig café in Lombok. Helm en Bonger hadden het feestje graag plaats laten vinden in Hoofdgebouw III, maar de directie van de NS had daarvoor geen toestemming gegeven. 'Die hadden al genoeg last van blaadjes,' concludeerde iemand in het publiek.

Bij de aubergine met muntsaus stonden een beetje somber de makers van de strip Ruben in het U-blad. Ype Driessen (tekenaar, zonder bril) en Ruben van Doorn (schrijver en inspirator, met Ruben t-shirt) hadden net te horen gekregen dat hun strip moest ophouden. Tsja, aan alles komt een eind, maar leuk is het niet. Voor De Inktpot hadden ze voor het eerst een driepagina- in plaats van drieplaatjes-strip gemaakt. Erg melig, maar tegelijk ook erg grappig en voor hun toekomst ben ik niet bang.

Het was een gezellig intiem onderonsje, met striptekenaars en cartoonisten die elkaar van het U-Blad, andere presentaties of de supermarkt kenden. Het leken de begindagen van de nieuwe generatie Utrechtse schrijvers wel, in 1998, toen roddel en achterklap en venijn en jaloezie hun intrede nog niet hadden gedaan.

Inmiddels draaien de persen al voor een bijdruk van het eerste nummer. Het gaat goed met de strip in Utrecht.

www.ublad.uu.nl/ruben/

Presentatie De Inktpot, 14 november, Utrecht

 


18 december 2003

Reis door mijn boekenkast

We waren een eigenaardig stel. Hij de boekenjunk en ik de boekenmiet. Hij stal op bestelling. Acht gulden voor een boek. Zestien voor een dik boek. Ik was zijn beste klant en ontwikkelde al snel een smaak voor gebonden werken op Japans rijstpapier. In die tijd verscheen de ene oeuvrebundeling na de andere. Ik kon een bijna erotisch genoegen vinden in het bekijken en betasten van het boek. Vooral als proporties en gewicht van het boek samenvloeiden tot een papieren kunstwerk. Honderd jaar eenzaamheid als Herengracht-editie. Het verzameld werk van Achterberg. Van Kafka. En dan had ik het nog niet gelezen. Ik kreeg wel eens boeken binnen met een ezelsoor. Die gingen meteen weg. Er was altijd een armlastige literatuurliefhebber die geen vragen stelde en ezelsoren voor lief nam. Ze waarschijnlijk ook zelf maakte...

Ik kon het niet zelf. Ik heb een schuldig hoofd en ik zie er van nature een beetje slordig uit, hoe goed ik mijn best ook doe. De boekenjunk was altijd gekleed als een jonge god. Zo zag hij er ook uit. Als ik mee op zijn strooptochten werd ik continu in de gaten gehouden, terwijl hij zijn gang kon gaan. Ik kreeg dan korting op de kunstboeken die hij dan probleemloos oogstte. ook als ze op salontafelformaat waren.

Eind jaren tachtig was het afgelopen. De grote boekenzaken gingen zichzelf beveiligen. De kleintjes met hun sympathieke assortiment konden dat niet. Ik vond het zielig. En daarbij veranderde er iets in het Nederlandse boekenwezen. De boeken die ik had laten jatten, lagen twee jaar later voor boekenjunkprijs in de ramsj. Ik ontwikkelde geduld: twee jaar nadat een mooi gebonden verzameld werk verscheen lag het bij de Slegte. Einde schuldgevoel.

In tweeëntwintig jaar heb ik zo meer dan dertig meter boeken verzameld. Het is meer dan het klinkt. Over de duizend. En geen rommel. Mooie gebonden verzamelde werken. Keurige paperbacks, ongebroken in de rug. Sommige boeken zijn nog keurig geseald. Dat plastic hoeft er pas af als ik ze ga lezen. Ik ben niet voor niets de boekenmiet.

Umbert Eco zei een keer in een interview: 'Mensen vragen altijd aan mij als ze mijn boekenkasten zien: heb je al die boeken gelezen. Maar wat heb je aan een kast vol boeken die je al gelezen hebt?' Ik citeer het met instemming, maar inmiddels staan er teveel boeken in mijn kast waarvan je weet dat ze altijd ongelezen blijven. Tijd om het dode hout te kappen. Zei hij moedig. Ik heb al vaker een bananendoos vol boeken uit mijn kast gehaald om ze drie maanden later weer terug te zetten. Nu is het anders. Nu moet er ruimte gemaakt worden voor tekeningen, tot stoomboot verknutselde schoenendozen en andere werkjes, eerste schoentjes en zwart-opgedroogde stukjes navel.

Maar wat moet er dan weg? Gehypte Buchmesse-titels als Op weg naar een dansfeest, het Chazaars woordenboek en De laatste wereld, van Christoph Ransmayr. De bundels van Maarten Biesheuvel niet. Die mogen nog even blijven, al ben ik helemaal van de Biesheuvelmanie af. Alle Maximalen gaan eruit, op Joost Zwagerman na. Van Robert Vernooy mag alleen De dingen die er niet toe doen blijven, het is mijn lievelingsboek. (Wat zal er van de Generatie Nix overblijven?) Alle boeken van schrijvers die ik een keer ben tegengekomen en waarvan ik beleefdheid het boek heb aangeschaft. Toch ook maar de paperbacks van een schrijver wiens wqerk nu ook in een mooi gebonden bandje staat, ook al zijn het allemaal eerste drukken en ook de oude vertalingen, al zijn ze verschenen bij Athenaeum, Polak & Van Gennep. Ook de boeken die gebaseerd zijn op een gimmick gaan eruit. Weg met romans die zich in één minuut afspelen of tijdens één flesvoeding. Weg met en de boeken die geschreven zijn door houtwurmen, papegaaien, spasten, schizofrenen, jongens in coma of meisjes van dertien. Weg met de Dickensiaanse romans over de geslachtsdelen van Napoleon, Quincunxen en Slingers van Foucaults. Het is genoeg.

Als ik de stapel boeken bekijk valt me een ding op: het zijn boeken die ik nagenoeg allemaal zelf in de ramsj gekocht heb. Op de Boekenmarkt van de Bijenkorf. In de Budgetkelder van V&D.

De collectie van de boekenjunk blijft onaangetast. Omdat het boeken zijn die met bloed. zweet en tranen binnen zijn gekomen. Omdat ik toen kieskeuriger was vanwege het risico. Ik loop voortaan de ramsjboekenhandel voorbij.

Misschien breng ik deze stapel ooit écht naar een antiquariaat

Reactie van een lezer

Beste Jack,

Vanmorgen las ik in Metro jouw "reis door mijn boekenkast". Met plezier las ik over jouw goede zorgen voor boeken. "keurige paperbacks, ongebroken in de rug", daaruit leid ik af dat jij je boeken net zo leest als ik: maximaal 10 cm geopend en het boek van links naar rechts draaiend om de pagina's te kunnen lezen. Mensen die ruggen breken zijn boekmoordenaars. Soms zie je het in boekwinkels, barbaren die een boek inkijken, de rug breken en dan terugleggen. Volgende boek: breken, een regel lezen, terugleggen. Massamoordenaars zijn het.

En nu is bij jou de opruiming toegeslagen. Onbegrijpelijk vind ik dat. Voor boeken is toch eigenlijk altijd plaats? Ook gehypte buchmesse-titels, al was het maar als waarschuwing: pas op wat je in huis haalt! Ook ik heb kindjes en ook ik heb een aanzienlijke verzameling krastekeningen, kijkdozen, veter- en tafeldiploma's etc. Maar ook wanden met boeken. En ik constateer een grote boekenkilte in Nederland. Want er wordt veel verkocht, maar mensen houden niet meer van boeken. Als je ziet hoe ze er mee omgaan en hoe ze afgedankt worden... schandelijk. Ik heb het niet over jou; jij gaat in elk geval nog voor kwaliteit en verantwoorde keuzes.

Maar vanwege de tijdgeest ben ik voor veel mensen een  boekenweeshuis geworden. Ik haal boeken bij mensen weg voordat ze bij het oud papier gaan. En zelfs daarna. Laatst bij de oud papierinzameling van de basisschool: Huurders en onderhuurders van Haasse, Dagen van honger en ellende van Doff, Tappelings van Ferdinandusse. De jaren '70 gered van de shredder. Ik vang al deze boeken op, laat ze op adem komen (traumatisch hoor, zo'n container!) en zoek dan een goed thuis voor ze. Want ik kan natuurlijk niet alles zelf opvangen, ook ik probeer mij te beperken. Een meter of twintig heb ik nu (in 15 jaar) en matige groei is toegestaan. Maar ongebreideld papier stapelen, nee. Een boek moet zin in mij hebben en ik in het boek.

Als ik op de foto jouw stapel afdankers bestudeer ben ik verrast. De Quincunx? Natuurlijk was het een hype en Palliser's latere boeken waren waardeloos. Maar van deze heb ik genoten en ik zal 'm nooit wegdoen. Het Chazaars woordenboek? Ik heb me er erg mee vermaakt. Maar ik had dan ook het mannelijk exemplaar. Ik ben nog steeds benieuwd  naar het vrouwelijk exemplaar. Schoftentuig? Als er 1 boek van De Bie is dat zou moeten blijven is het deze, zeker na vorige week zondag waar dit type ten onrechte ontbrak. De anderen mogen weg (behalve De boekcorner van Goos Verhoef) Quissama? Springer is toch geen hype? Gaat Teheran, een zwanenzang soms ook weg?  Zwarte Spiegels, Vox? Nou ja, dat had ik misschien ook gedaan.

Maar het allerergste, ja misdadig bijna, is dat ook Nescio op de stapel is gegaan. Nescio! De mooist formulerende natuurminnaar van Nederland! Chroniquer van het landschap, inspirator van bibliotheken volschrijvende auteurs! Nescio afgedankt? Ik wist niet dat ons land er zo slecht voorstond.

Kortom, ik verklaar mij bereid de door jou als dood hout gekapte titels liefdevol op te nemen. Ik ruil sommige van mijn paperbacks dan om voor gebonden exemplaren (Quincunx, Foucault, Nescio). Ik maak ruimte voor diverse als ten onrechte als dood hout gekwalificeerden (Bril & Van Weelden, Springer, Stahlie, Richard Powers). En voor de anderen zoek ik een  nieuw thuis. Want er zijn echt nog mensen die De Bie, Niemoller etc waarderen en willen lezen. Het komt allemaal goed, wroeging is niet nodig. Zelfs een bezoekregeling is mogelijk.

En dit doe ik allemaal voor niets, alleen omdat ik van boeken hou. Ik probeer geen bibliomaan te worden, maar ben wel bibliofiel. Maar als geste zal ik in ruil voor mijn opvangwerk aan jou een uniek exemplaar van een door mij gemaakt nieuwjaarsgeschenk van de juridische uitgeverij Ars Aequi schenken: Literaire Rechtspraak. Dat is een bundel verhalen / fragmenten van oa Rabelais, Hermans, Herzberg, Dickens, Hugo, Malot waarin een rechtszaak centraal staat, toegelicht door mij en theoretisch verantwoord in het kader van de onderzoeksrichting Law and Literature. Mooi gebonden, duur papier en een oplage van slechts 750. Als ik de gefotografeerde stapel mag opvangen, geef ik je een gesigneerd exemplaar!

Kortom, we komen er samen wel uit. De op de foto somberheid uitstralende boeken vinden nieuwe levensvreugde bij mij, jij hebt ruimte voor tekeningen, schoentjes en navelbandjes, anderen worden door mij verrast met belangrijke aanvullingen op hun boekenkast en er ontstaat geen schade aan de Nederlandse cultuur.

Ik hoor graag je positieve reactie op dit voorstel.

Vriendelijke groet,

Roland Bron


16 december 2003

Jacques Brel is een aspirientje

Mijn eerste kennismaking met Jacques Brel was via Terry Jacks. De Canadese zanger verkocht elfenhalf miljoen exemplaren van Seasons in the Sun (Le moribond) en de helft daarvan van If you go away (Ne me quitte pas). Als hyperromantische dertienjarige draaide ik de laatste plaat helemaal grijs. Alsof ik verstand had van verlies. In 1994 pas ben ik naar Brel zelf gaan luisteren. Veel te laat. 'Ne me quitte pas' heeft helemaal niets van de kitsch van 'If you go away'. Toen ik er een keer slecht aan toe was moest ik huilen van 'Le chanson des vieux amants'. Terwijl dat nummer waarschijnlijk niet over een man en een vrouw gaat, maar over de haat liefdeverhouding van Brel met zijn vlakke land België. Maar het gaat er niet om wat iemand bedoelt, het gaat erom wat iemand er in vindt.

Op de tentoonstelling Brel, het recht te dromen, vertelt hij in een televisie-interview dat hij een aspirientje is. Zogauw hij iemand twee, drie minuten lang zijn zorgen kan doen vergeten is hij tevreden. Zo is het, dat is wat een lied, een boek, een schilderij moet doen: even iemand uit zijn dagelijkse sleur halen. Kunst kan de wereld niet veranderen. Hooguit verzachten.

De multimedia-tentoonstelling is aardig, maar laat teveel in het midden en blijft teveel aan de oppervlakte. Samenstelster France Brel verdoezelt teveel aspecten van Brels leven die haar niet welgevallig zijn. Je komt bijna niets over Brel te weten. Waarom ging hij naar de Markiezeneilanden? Hoe hard moest hij knokken voor hij doorbrak? Je komt er niet achter, ze is te druk bezig hem heilig te verklaren. In zijn lijflied 'Le chanson de Jacky' zingt hij over 'Etre une heure beau et con à la fois': goed zijn en een klootzak tegelijk. Van zijn dochter mag het niet. Ik denk dat hij haar hoofdpijn bezorgt.

Brel, het recht om te dromen (t/m 17 januari 2004), Schildknaapstraat 50, 28 November 2003

 


15 december 2003

Eindejaarsaanbieding 

De laatste exemplaren van De gemonteerde vrouw, nu van 18 euro, eerst voor 9 euro, voor 6 euro inclusief verzendkosten. Op = op. Ga naar de winkel


14 december 2003

Een beetje mosterd na de maaltijd

 Ik heb geen problemen met wat Gretta Duisenburg doet. Ik vind het wel stoer: je diplomatieke paspoort op creatieve wijze gebruiken om aandacht te vragen voor de Palestijnse zaak. Wat meer aandacht voor de Palestijnse Israeliërs mag wel. Hebben we goddomme met Nederlands geld een vliegveld en een haven voor ze gebouwd, zijn de Joodse Israëliers over de boel heen gebulldozerd alsof het een Amerikaanse demonstrante was.

Ondanks mijn warme hart voor Gretta's zaak, heb ik ook geen problemen met de column van Luuk Koelman, waarin ze gekarikaturiseerd wordt als groupie van Arafat. Met het instrument van de overdrijving zette hij in minder dan zeshonderd woorden een perfecte satire neer over iemand met een doorgeslagen zendingsdrift. Dat mag. Iemand die meent het gelijk aan zijn kant te hebben neigt tot doordrammen en dan is een relativering van een nar op zijn plaats.

Is Koelman te ver gegaan met zijn parodie? Ik zal een voorbeeld van veertig jaar geleden geven. In Ramparts Magazine verscheen het verhaal dat na de moord op John F. Kennedy, vice-president Johnson in het vliegtuig van Dallas naar Washington het lijk in de schotwond in het hoofd geneukt zou hebben. Dit was een verzinsel van medewerker Paul Krassner als satirische aanvulling op het overheidsrapport over de moord dat een grote lacune vertoonde. De enige reactie op deze 'skull-fuck' kwam van de hoofdredacteur van White Power, de krant van American Nazi Party. Krassner antwoordde: 'Dit is een satirisch blad, meneer.' De nazi zei toen 'Oh. Laat maar zitten dan,' en hing op.

Nu moet ik bij de American Nazi Party altijd denken aan die sukkels uit The Blues Brothers, maar toch geeft het te denken dat in de jaren zestig nazi's meer gevoel voor satire hadden dan Gretta Duisenberg.

Nee, het is niet prettig om onderwerp van een satire te zijn, maar dat is nu eenmaal een uitvloeisel van met je kop in de krant staan omdat je iets totaal afwijkends doet. Als Mevrouw Duisenberg het over haar kant had laten gaan was er een beetje gegniffeld en de column was op Koelmans site een keer of honderd aangeklikt. Inmiddels heeft ze hem op de landelijke kaart gezet en iedereen aan de column herinnerd. 'Menselijk+schild+Ramallah' is tenminste een zoekwoordencombinatie die ik vaak in de statistieken van mijn webpagina's zie verschijnen.

Tot verbijstering van veel mensen won ze het kort geding tegen Koelman. Die begint een bodemprocedure en waarschijnlijk gaat hij dat winnen. Hoewel af en toe een lagere rechter anders beslist, wordt hoger in de juridische rangorde de vrijheid van meningsuiting serieuzer genomen. Kom op, dit is het land waar een schrijver een personage God in de verschijning van een ezel in zijn geheimste opening mocht nemen.

En dit is ook het land waar het boek Tanja Grotter en de Magische Contrabas van Dimitri Jemetz niet mag verschijnen. Het verweer van de uitgever dat het boek als parodie op de Harry Potter serie is bedoeld werd door de rechter van tafel geveegd: hij vond het niet grappig genoeg voor een parodie.

Mag deze rechter alstublieft de zaak Koelman behandelen?

 


11 december 2003

maisquenada.lekker

Waar is het lekker gezellig, lekker knus, lekker ontspannen, lekker drinken, lekker slapen of lekker eten in Utrecht? Of niet? En buiten Utrecht? Lees het voortaan op deze pagina's. De archiefpagina's zijn daarvoor herzien.


11 december 2003

Nederlandse krant in het buitenland

Ik ben een krantenlezer. Elke dag de krant. De Volkskrant. Eens per week het Utrechts Nieuwsblad om te weten waar mijn buren over praten en in de trein de Metro. Als ik naar het buitenland ga sleep ik een plastic tas nog ongelezen krantenbijlagen mee. Een gelezen krant gooi je weg. Dat doe je niet zo snel met de laatste Donna Tartt. Dat blijft dood gewicht in je koffer, tot je weer thuis bent.

Maar na twee weken ben je er doorheen, heb je elke uiteenzetting over draadspoelwormen in Mauretanië gelezen en elk woord geneuzel over het verschil tussen vrouwen en mannen gespeld. En je wilt toch iets als leesbare onderlegger, om je moeizaam in een badkuip gewassen broek te beschermen tegen het broodje aardbeienjam met gezouten boter. Dus je koopt de Telegraaf van gisteren voor 3 euro op het station.

Er zou eens onderzoek gedaan moeten worden naar de alomtegenwoordigheid van de Telegraaf buiten Nederland. Heeft dat alleen met oplagecijfers te maken, of zijn het juist de Telegraaflezers die graag naar het buitenland gaan? Uit een onderzoek is ooit gebleken dat Telegraaflezers banger zijn dan Volkskrant- en NRC-lezers. Banger voor geweld op straat, banger voor oplichting, inbraak en beroving, banger voor verkrachting en banger voor niet-autochtonen. Ik kan het me voorstellen. (maar hoe paradoxaal: wat doen al die xenofobe Telegraaflezers dan in het buitenland?)

Voorpaginanieuws op 27 september: SBS stopt met Willebrord Frequin, Marianne Timmer gaat scheiden, Puzzelactie van start, Kabinet mild voor rokers, Bruce Willis zet prijs op hoofd Saddam. En als opening ESCORTSERVICE VOOR BAJESKLANT (Moordenaar runt bureautje vanuit cel. Justitie weet nergens van). Op pagina drie: 'Criminaliteit allochtonen hier ongewoon hoog', Antilliaan gepakt voor verkrachting buurmeisje (10) en Buitenlandse uitkeringen aan banden.

Nounou, in wat voor wereld leven we toch?

Maar goed, de voorkeur voor dergelijke onderwerpen is een keuze van de Telegraaf, maar als er een goed onderwerp is, is het geschreven in een schoolkrantstijl. Onhandige formuleringen met altijd een komma voor 'dat' en altijd een komma tussen twee werkwoorden. Onleuke columns. Mode-artikelen die je ernstig naar Milou van Rossum in de Volkskrant doen verlangen. En dan die foto's! Altijd een slachtoffer dat aan de buurman de deuk in de auto aanwijst. De uitvinder met schroevendraaier leunend naast zijn laserscrambler. Wat een armoe.

Terug in Nederland keek ik vol verlangen uit naar de stapel met vier weken Volkskrant. Na de vierde krant vol politiek-correcte artikelen over Mabel Wisse Smit pleurde ik alles in de papierbak. Telegraaf-lezen zal toch niet besmettelijk zijn?

 


10 december 2003

Dat ze weten wat ze moeten zeggen

Op 26 oktober kreeg ik de volgende e-mail binnen. Nadat ik hem vluchtig had doorgelezen voelde ik mijn bloed koken:

'Een groep jongens terroriseert verschillende plaatsen in Nederland en hanteren daarbij een gruwelijke methode. Meisjes die de bende tegen het lijf lopen, krijgen de keus voorgelegd: óf je doet mee aan groepsseks, óf je krijgt van ons een smiley. De meisjes kiezen voor het laatste - 'smiley' is een benaming van het lachende gezichtje op xtc-pillen. Des te groter is de schok als blijkt dat de bendeleden er iets heel anders onder verstaan: twee messneden in de mondhoeken en vervolgens een flinke stomp in de maag zodat de wangen uitscheuren doordat lucht die eruit geperst wordt. Nadat ze dit gedaan hebben strooien ze zout op de wond zodat je voor de rest van je leven met een litteken zit (eeuwige glimlach). Ze zijn inmiddels al in Vlaanderen, Bergen op Zoom, Leiden, Antwerpen, Roosendaal, Antwerpen ,Halsteren, Denhaag, Rotterdam,en berschenhoek opgedoken. De bende bestaat uit ongeveer 6 Antillanen/Marokkanen.

Bron: www.leidschdagblad.nl/ en http://www.leidenuniv.nl/mare/2003/06/0901.html ).

Forward deze mail dus naar iedereen die je kent, ook naar jongens zodat zij het weer kunnen vertellen aan de meisjes die zij kennen, zorg er in ieder geval voor dat ze weten wat ze moeten zeggen als ze de betreffende bende tegenkomen!! Kopier de tekst, zodat je niet al de emailadressen in de mail krijgt die hem al doorgestuurd hebben!!'

Mijn bloed kookte niet omdat ik een bevestiging van een onderbuikgevoel kreeg, maar omdat iemand zo dom was dit door te sturen. Wat er in de van spel- en typefouten vergeven mail beschreven werd was namelijk zo gruwelijk dat ik er allang over gehoord of gelezen moest hebben.

De vermelde links brachten we echter aan het twijfelen. Tot ik ze aanklikte. In beide artikelen werd het hele verhaal ontzenuwd als een urban legend, ook wel bekend als Broodje Aap. Ik sprak er de afzender op aan. Die weigerde het paniekverhaal dat hij aan al zijn bekenden had gestuurd (hun e-mailadressen stonden in de header) terug te trekken, onder het mom van 'better safe than sorry.'

Dit soort onzinverhalen heeft altijd goed geleefd. Disneyland Parijs was maar amper open of het verhaal van het ontvoerde jongetje dat zonder nier werd teruggevonden was onuitroeibaar. Via het internet gaan deze verhalen sneller rond dan ooit.

Het smiley-verhaal stamt uit de jaren vijftig. Toen waren het rockers in Engeland die meisjes verminkten, nu zou het een groep Antillianen en Marokkanen zijn. Dat is de kracht van de urban legend. Het verhaal is net niet absurd genoeg om het niet te geloven en altijd speelt er iets of iemand waar men bang voor is een hoofdrol in.

Toch vraag ik me af hoe iemand dit kan geloven. Ten eerste zie ik zo snel niet een verbond tussen Antillianen en Marokkanen ontstaan. Ten tweede kun je wangen niet laten inscheuren op de beschreven manier. Ten derde wordt er vanuit gegaan dat meisjes altijd weten dat een smiley een xtc-pilletje is en ten laatste: waarom zou je in godsnaam een meisje verminken als je er ook met zijn allen overheen kunt?

Dat maakt - misschien onbedoeld - het advies in de laatste regel hilarisch: 'zorg er in ieder geval voor dat ze weten wat ze moeten zeggen als ze de betreffende bende tegenkomen'.

'Zo meisje, wil jij een groepsverkrachting of een smiley?'
'Een groepsverkrachting, graag. Ik moet morgen naar een feestje en kan nu geen littekens in mijn gezicht hebben.'

Het wordt inderdaad tijd voor een internetrijbewijs.


8 december 2003

www.absinterklaas.com

Nu alle nieuws over de komende Absinterklaasavonden op een nieuwe site.


8 december 2003

BNN gelukkig uit de shit

Mijn vader zegde zijn decenniallange lidmaatschap van de KRO op om lid van de Tros te worden. De Tros, de eerste bijl aan het omroepbestel. Tien jaar later ater wisselde hij de Tros in voor Veronica. Twee keer sympathie voor de underdog. Twee keer zijn steun aan een omroepvereniging die het allemaal anders ging doen.

Het is jammer voor BNN dat hij dood is, want ik weet zeker dat hij vlak voor zijn tachtigste verjaardag Veronica zou inwisselen voor BNN. Terwijl hij absoluut niet tot de doelgroep van BNN hoort. Netzomin als ik, maar zo gauw ik hoorde van de dreiging dat BNN zou verdwijnen nam ik me voor lid te worden en zonodig het lidmaatschap voor mijn hele familie te betalen. Tot ze met dat kutliedje kwamen.

'5 jaar (en nog lang niet klaar)' is een nieuwe tekst op het lamlendige 'Vijftien miljoen mensen' dat voor de Postbank werd geschreven. Dat is al niet bijster origineel, maar het meest smakeloos aan de BNN-versie is dat het een variant is op nummers als 'We are the world' en 'Do they know it's Christmas?' Twee nummers die gemaakt werden om een enorme misstand in de wereld aan de kaak te stellen. Ze werden ingezongen door wereldberoemde popsterren die zo konden laten zien dat ze geëngageerd waren.

Het leverde larmoyante, bombastische nummers op (wie zal de cliché-uithalen van Bruce Springsteen en Cindy Lauper ooit vergeten?), maar vooruit, het was voor een goed doel en het leverde veel geld op en Bob Geldof de Sir-titel. De dreigende verdwijning van BNN met '5 jaar (en nog lang niet klaar)' op één lijn stellen met hongersnood en armoe is echter een vorm van emotie inflatie die over alle grenzen gaat. Met het verdwijnen van BNN gaat er geen cultuurgoed verloren, de vrijheid van meningsuiting wordt niet aangetast en niemand gaat er aan dood.

Inmiddels is duidelijk dat BNN mag blijven. Goddank. Wat zouden ze anders gedaan hebben op de dag ze hun zendmachtiging zouden verliezen. Een stille tocht te organiseren?

BNN uit de shit (soort van)

 


4 december 2003

Uw gids door de kanaalzone

In 2000, toen de eerste kleine Nouws zich aankondigde, moest er razendsnel beslist worden waar het jonge gezin Nouws zich zou gaan vestigen. Utrecht, of toch Tilburg waar de aanstaande mevrouw in de wijk Goirke woonde? Het werd Utrecht, maar Tilburg wordt nog steeds gemist. De mensen zijn er vriendelijker en de kringlopers goedkoper. Voor wie zich afvragen wat Tilburg in godsnaam speciaal maakt: Tilburg is de Nederlandse hoofdstad van het absurdisme met Gummbah, Jeroen de Leijer (Eefje Wentelteefje) en Paul Bogaers als voornaamste representanten.

Paul Bogaers presteerde het ooit om van een twintigtal verschillende boeken een nieuw boek te maken door uit de pagina's geknipte zinnen tot een nieuw verhaal te maken. Bogaers knipt letterlijk en figuurlijk, ook als fotograaf. Hij maakt verschillende foto's tot een geheel nieuw beeld. Landkaarten veranderen bij hem in torso's, hekjes in rails en circustenten in can-candanseressen.

Wat Bogaers doet is wat een fotograaf moet doen: iets zichtbaar maken waar je anders overheen gekeken had. Onlangs maakte hij het boek Gids door de Kanaalzone, in opdracht van de gemeente Tilburg. Op het eerste gezicht een vaag subsidieproject waarin een kunstenaar iets met openbare ruimte moet doen. Het werd een hoogstpersoonlijk boek van 240 pagina's met meer dan vijfhonderd foto's over een van de eerste industriegebieden van Tilburg (en misschien wel van Nederland), langs het Wilhelminakanaal.

Een fotoboek over een Tilburgs industriegebied, hoe interessant kan dat zijn, zou je zeggen, maar Bogaers slaagt erin het onderwerp naar een hoger niveau te tillen. Hij blijkt een begenadigd verteller, die zonder iemand voor lul te zetten, enorm geestig over de diverse bedrijven en mensen kan vertellen. In het smoezeligste hoekje weet hij poëzie te vinden en te fotograferen. Aanstekelijk vertelt hij ondertussen over de kracht en de magie van de fotografie, op zo'n manier dat je de neiging hebt onmiddellijk met een camera de straat op te gaan. Ach, waren we maar in Tilburg gaan wonen.

Dit boek gaat niet alleen over Tilburg, maar over alle kanaalzones in Nederland. Sterker, het gaat over heel Nederland. Dit is het beste boek van 2003.

Gids door de Kanaalzone, Uitgeverij IJzer, ISBN 90-74328-73-3, 15 euro (geen geld)

Te koop bij Faxx in Tilburg en uitgeverij-ijzer.nl

www.paulbogaers.com

 


3 december 2003

Haperende site

Van dinsdag 2 december 22.00 uur tot woensdag 3 december 10.00 is de server van Ladot onbereikbaar geweest. Minsten twee keer per week kan ik mijn e-mails ook niet lezen. Gelukkig kan ik in maart verhuizen, zodat ik een normaal Blog-programma kan installeren. Kan ook al niet bij Ladot.

 


28 november 2003

Intocht Sinterklaas

De grootste supermarkt van Zundert had een bijzondere band met Sinterklaas. Die kwam speciaal voor Jan Bruijns (niet te verwarren met de huidige supermarkt) half oktober al naar Nederland. Twee weken voordat mevrouwtje Bouw hem in de haven van Enkhuizen ontving.

De Goedheiligman resideerde in het magazijn van de winkel aan de Molenstraat. Via de achterdeur kon je naar binnen. Na een kort gesprek met Sinterklaas, die op miraculeuze wijze altijd iets over je wist, kreeg je een zakje snoep van Zwarte Piet. Er werd niet aan leeftijdsdiscriminatie gedaan, want ook toen ik al elf was ging ik niet met lege handen naar huis. Op die leeftijd waren we natuurlijk allemaal stoere jongens die niet meer in Sinterklaas geloofden, maar een handvol snoep niet versmaadden.

Toch kan ik me herinneren dat ik nerveus werd als ik bijna aan de beurt was en een knoop in mijn buik kreeg als ik het satijnen handschoentje van Sinterklaas met die kermisring erover in mijn hand voelde.

Nog steeds trouwens. Hoe diep kunnen sommige dingen zitten.

Intocht Sinterklaas in Nederland, 14 november 2003

 


26 november 2003

Hoe persen we freelancers uit?

Ik kwam gisteren uit op de site van een oud-klasgenoot, Henk Stolker. Ik heb met Henk een paar boekjes gemaakt en ik wilde hem vragen de tekeningen van een nieuwjaarsgeschenk te mailen om ze hier te plaatsen.

In het menu zag ik een link 'Actie tegen Sanoma'. Wat ik daar zag was schokkend. Freelancers staan onderaan in de betalingshiërarchie. Ik kan me januari 2002 nog levendig herinneren, toen ik helemaal geen geld meer op mijn rekeningen had, terwijl ik een paar duizend gulden tegoed had van opdrachtgevers. Natuurlijk, je kiest er zelf voor om als freelancer aan de slag te gaan, maar dat betekent nog niet dat je als een schooier behandeld moet worden.

Na 11/9 hebben veel bedrijven de freelancers eruitgegooid, einde probleem, en voor de resterende, waar je niet zonder kunt zijn extra wurgmaatrgelen getroffen.

Henk heeft zich hier terecht heel boos om gemaakt. Rechters kunnen freelancende columnisten niet op de knieën krijgen, maar uitgevers wel. Een akelig voorbeeld is Sanoma, uitgever van nagenoeg alle publieksbladen van Nederland. Lees het hier, in een prachtige strip weergegeven.

 

(c) Henk Stolker


22 en 26 november 2003

JFK veertig jaar geleden vermoord (bijgewerkt)

Hier kun je op de autopsiefoto's zien hoe dat eruit zag

En hier op scans van de Zapruderfilm ook

Was het een complot? Zoals ik ergens op het net las: de onthulling van zijn relatie met Marilyn Monroe was al genoeg genoeg geweest om hem af te laten treden. Dan ga ik me meteen afvragen of haar dood een jaar eerder er iets mee te maken had.

 


23 november 2003

Autorijden is goed voor het milieu

Er wandelde een duif over de snelweg. Remmen had geen zin, maar gelukkig liep er niemand over de vluchtstrook, reden er geen fietsers, brommertjes of ezelskarren en stond er geen meloenentent, zoals eigenlijk heel normaal is in Portugal. Dus ik gaf een zwieper aan mijn stuur, in een misplaatst vertoon van dierenliefde. Autorijden veroorzaakt altijd een slachting onder de dieren. Al zijn het de minder aaibare. Aan het eind van twee dagen rijden schat ik het aantal geplette torren, muggen, motten en vliegen op mijn voorruit en grille op duizend. Er zijn in Nederland zeven miljoen auto's. Een miljoen daarvan maakt elke werkdag een rit. Per dag vliegen zich daarbij 50 insecten kapot op een auto (gemiddeld, in de zomer zijn het er veel meer, in de winter onmeetbaar weinig). Dat zijn er 50 miljoen per dag. Dat zijn er per werkweek 250 miljoen, als we een paar feestdagen niet mee tellen komen we uit op 12,5 miljard per jaar. Alleen in Nederland. Een beetje insect weegt een kwart gram. Dat is dan 12.500.000.000 x 0,00025 = 6,25 miljoen kilo. Dat is 3,125 duizend ton per jaar. Zeg maar 75 veertigtonners met dode torren, kevers, wespen, muggen, motten en vliegen per jaar. Hoeveel insectiden spaart dat per jaar niet uit?

Sines - Utrecht, 2478 kilometer, 10 en 11 oktober 2003

 


22 november 2003

De absinterklaasavond is bijna uitverkocht

Op 22 november waren er nog 8 kaarten beschikbaar. Dus haast je.


21 november 2003

Huisvriend Arjan Peters bericht driemaal uitgebreid en gedetailleerd in Volkskrant over teleurstelling Van der Heijden over zijn uitgever die geen feestje voor zijn 25-jarig schrijfjubileum heeft georganiseerd

Of zoals ze in Engeland zeggen: 'With friends like that, who need enemies'.


20 november 2003

Absinterklaasje kom maar binnen met je knecht

Op zondag 30 november wordt weer de traditionele Absinterklaasavond in De Bastaard gehouden. Het café verandert even in een nachtclub waar veertig gasten, tijdens het drinken van absint, kunnen luisteren naar een schrijver, een dichter, een kunstenaar en een muzikant.

Het programma bestaat uit de dichter Menno Wigman (epibreren.com/wigman), blogger Robert van Eijden (maarwatishet.com), kunstenaar Paul Bogaers (paulbogaers.com)en een unplugged sessie van Motortoaster (accordeon en megafoon).

Entree: 6 euro inclusief het eerste glas absint. Meer absint is tegen gereduceerde prijs aan de bar te koop. Breng een aansteker mee.

Gezien de ervaringen vorig jaar is het verstandig niet meer dan vier glazen te drinken (qua alcohol evenveel als zes à zeven glazen sterkedrank, de werkzame stof van de absint niet meegerekend).

Aanvang: 20.45 uur. In Utrecht is in principe geen sluitingstijd. In de praktijk sluit de Bastaard altijd om 02.00 uur.

Plaats: De Bastaard, Jansveld 17, Utrecht.

Reserveren in de Bastaard: 030-2322555, na 16.00 uur. Max 2 reserveringen per persoon.

Routebeschrijving: debastaard.nl


18 november 2003

Steun Luuk Koelman!

(c) DC Lama

Hoe ver gaat de vrijheid van meningsuiting wanneer je satire bedrijft? De zaak Duisenberg-Koelman heeft concrete jurisprudentie opgeleverd. Jurisprudentie die voortaan ook tegen collega-columnisten, cartoonisten en cabaretiers gebruikt kan worden.

Daarom moet dit vonnis van tafel. Ben je het daarmee eens en draag je het recht op satire en vrije meningsuiting een warm hart toe? Doneer dan!

Waarom doneren?

Alle (juridische) kosten betaalt Luuk Koelman uit eigen zak. Financiële steun kan hij dus goed gebruiken! Maak een x-bedrag over op giro 3204141 tnv LJA Koelman te Tilburg ovv. 'Grettagate'.

Om je nog meer in de verleiding te brengen: wie tien euro of meer stort, krijgt gratis een gesigneerd exemplaar van zijn verhalenbundel 'Heb mij Lief'. Vermeld dan wel duidelijk je naam en adres!

Wil je na afloop van de procedure weten waar al het geld naartoe is gegaan? Vermeld dan ook je e-mailadres. Dan mailt hij je tzt. een overzicht van al zijn onkosten, zodat je weet wat er met jouw donatie is gebeurd. Mocht er onverhoopt gedoneerd geld overblijven, dan schenkt hij dat aan Warchild.

(deze tekst gejat van Luuk Koelman)


18 november 2003

Invasion of the iPods

Ik ben opgegroeid in Brabant, tegen de Belgische grens. De ontvangst van de Belgische tv, de BRT zoals die toen nog heette, was soms beter dan die van de Nederlandse zenders. En er was elke zaterdagmiddag om vier uur een speelfilm. Zoals Invasion of the Bodysnatchers, een science-fiction film waarin mensen vervangen worden door exacte kopieën die in enorme buitenaardse peulen of coconnen groeien, of zoals ze in het Engels zeggen: 'pods'.

Bij de introductie van de iPod in oktober 2001 is er veel gefilosofeerd over de betekenis van het woord, in relatie tot de functie en (mogelijke) capaciteiten van het apparaat. Een pod kan behalve een peul of een cocon zijn: een eierkoker (geen apparaat maar een lichaamsdeel van een sprinkhaan), een houder voor brandstof (die onder een vleugel hangt), een voorstuwingseenheid (voor een ruimtevaartuig), een afzonderlijke cabine (voor instrumenten of personeel) of een school (van grote zeezoogdieren). Analisten zagen de MP3-speler annex externe harde schijf als de eerste incarnatie van een multifunctioneel multimedia-apparaat, of beter: als een hoge hoed waar onvermoed veel konijnen uit konden komen. Ik moest aan Invasion of the Bodysnatchers denken. Verder...


15 november 2003

Menselijk schild in Ramallah (gastcolumn van Luuk Koelman)

Metro, 16 oktober 2003

In de stukgeschoten residentie van Arafat, ergens in Ramallah, ligt Gretta Duisenberg op haar stretchertje. Ze is klaarwakker. Haar blote voeten steken onder de dekens uit. Ze ziet haar roodgelakte teennagels die mooi kleuren bij haar wit satijnen nachtjapon. Vaag klinkt in de verte de sirene van een ziekenwagen. Op haar reiswekkertje is het zes uur twaalf.

Naast haar op de stretcher ligt Yasser Arafat, de man voor wie zij als menselijk schild bereid is haar leven te geven. Dag en nacht wil ze bij hem zijn. Gretta denkt aan zijn mentale veerkracht en die van het Palestijnse volk, dat al zo lang worstelt onder de Israëlische bezetting. Ze denkt aan de ongelijke strijd. Yasser en zijn volk tegenover de helikopters en de tanks van het Israëlische leger. David tegen Goliath.

Arafat slaapt als een roos. Hij snurkt dat het een lieve lust is. De schat! En dat niet alleen; deze fragiele man is op zijn manier ook nog eens een echte macho, want Yasser slaapt met zijn uniform aan. Dat is zó erotiserend. Een man in oorlog moet altijd paraat zijn.

Voorzichtig buigt Gretta zich over het hoofd van Arafat. Ze bestudeert zijn grijswitte stoppels, de vlezige lippen en de verfrommelde zwart-wit geruite doek op zijn hoofd. Hij ziet er vreemd, verwilderd uit, maar onder de dekens gaat zijn borst rustig op en neer.

Dan gebeurt het. Yasser draait zich in zijn slaap om. Hij woelt, zucht en duwt zijn knieën met kracht tegen de zachte ronding van haar dij. Plots trilt Gretta's hele lichaam. Dit is haar al jaren niet meer overkomen. De spanning van het verbodene! Ze voelt zich net een meisje van twintig. Wat moet ze doen? Yasser is geen man die je zomaar in je armen vangt. Hij is er sowieso te klein voor.

Weer voelt ze de ruwe streling van zijn knieën. Gretta denkt aan Mabel, ze denkt aan foute mannen, aan spanning en aan verliefdheid. Ze voelt zich week. Deze man is zoveel spannender dan Wim. Deze man heeft haar nodig.

Dan neemt de natuur het over. Gretta slaat de dekens opzij, krult zich over Arafat heen en gaat vol overgave over tot één op één contact.

Vijf minuten eerder. In zijn stukgeschoten residentie, ergens in Ramallah, ligt Yasser Arafat op zijn stretcher. Vaag klinkt in de verte de sirene van een ziekenwagen. Arafat is wakker, maar ligt zo stil hij maar kan en houdt zijn ogen stijf dicht. Snurken moet hij. Veinzen dat hij slaapt. Sinds die groupie in haar spijkerbroek door een gat in de muur zijn werkkamer is komen binnenkruipen, zit hij met haar opgescheept. En nu ligt dat zelfbenoemde menselijk schild tot overmaat van ramp zelfs naast hem.

De stretcher piept vervaarlijk. Gretta's hoofd met de immense bos zwart haar is nu heel dichtbij. Yasser voelt haar ademhaling. Hij ruikt haar indringende parfum. Voor het eerst in zijn leven is hij bang. Die heks moet wat van hem, zoveel is zeker. Hij rilt bij de gedachte. Maar goed dat hij wijselijk al zijn kleren heeft aangehouden.

Hij moet handelen, nu! Arafat draait zich al snurkend om, trekt zijn knieën op en zet kracht. Hij duwt uit alle macht tegen Gretta aan. Israël weg uit de bezette gebieden en dat enge mens weg van zijn stretcher. Even lijkt Gretta's lichaam mee te werken. Nogmaals duwt Arafat zoals hij nog nooit heeft geduwd.

Dan kraakt en schudt het stretchbedje en voelt hij hoe met één woeste ruk de dekens van hem worden weggerukt. O, Allah, sta me bij, denkt Arafat, terwijl Gretta's dijen hem in een onverbiddelijke houdgreep nemen. Dit wordt de gruwelijkste beproeving uit mijn leven. Hier kan geen Israëlische vergeldingsaanval tegenop.

(Deze column is zonder toestemming van Luuk Koelman geplaatst. See you in court, Luuk)


14-11-2003

Mensen als crashende Windows-pc's

Vlak voor de geplande introductie van de PowerMac G5 kregen de aanstaande kopers te horen dat hun geduld op de proef zou worden gesteld. De belangstelling voor de eerste 64-bits personal computer ter wereld was zo groot, dat het onderwijs voorrang kreeg. Dit veroorzaakte fronsen en jaloezie, tot een paar weken later duidelijk werd wat er aan de hand was: de universiteit van Virginia had elfhonderd 2 Ghz dual-processor PowerMacs besteld.

Gebruikmakend van standaard-onderdelen - voorzover je een 10 Gigabit netwerk staandaard kunt noemen - knoopten medewerkers en studenten die binnen tien dagen aan elkaar tot de goedkoopste supercomputer ter wereld, met als koosnaampje Big Mac. De theoretische snelheid is met 17 teraflops, oftewel 17.000 miljard berekeningen per seconde, de helft van een Japanse monstermachine, de 'Earth Simulator'. Maar die is met 350 miljoen dollar weer zeventig keer zo duur. Dat heb je met supersizen.

Duizelingwekkende cijfers. En bijna niet voor te stellen dat precies zo'n computer die jij gebruikt om te surfen en te tekstverwerken en waarmee je feestgidsen maakt en videofilmpjes monteert, in duizendvoud opeens een magische 'supercomputer' is.

En wat kan zo'n supercomputer dan? De Earth Simulator is, de naam voorspelt het al, ontwikkeld om aan de hand van lucht- en waterstromen klimaatveranderingen te voorspellen. Wat de Big Mac kan weet ik niet, maar hij kan het dus heel snel. Misschien wel schaken. En daarbij winnen van Kasparov. Een 128-bits wachtwoord kraken. Van een onscherpe foto Kevin Costner maken. Of de rode oogjes wegretoucheren van een een foto van een sterrenstelsel. Of de boekhouding van de universiteit van Virginia doen.

Wat geen enkele supercomputer kan, echter, is poëzie schrijven. Of een symfonie componeren. Of een mop bedenken. Of verdriet of geluk voelen. Of kleine supercomputertjes maken.

En dat noemt men dan supercomputers. Daarmee vergeleken zijn pc'tjes helemaal achterlijk. Je moet ze precies en letterlijk vertellen wat ze moeten doen, anders lopen ze amechtige rondjes om het probleem. Mensen hebben genoeg aan de eerste en laatste letter van een woord om het te herkennen, alle letters daartussen mogen door elkaar gehusseld worden. Vergelijkbaar met de manier waarop Windows soms geschreven is. In tegenstelling tot mensen lopen computers daarna hopeloos vast.

Hoewel computers best veel kunnen, kunnen computers voornamelijk heel veel niet. Een teken daarvan is de manier waarop ze als metafoor in het taalgebruik opduiken. Je zult nooit eens horen: 'We peerden er doorheen als een Pentium processor.' Nee, het is zoiets als: 'Mijn systeem liep vast.' Nooit: 'Zij is mijn coprocessor, de floating point unit van mijn leven.' Maar altijd: 'De harde schijf in mijn hoofd crashte.' Nooit: 'Mijn leven loopt zo vloeiend als een DVD in een iMac.' Eerder: 'Ik ben toe aan down time.'

Het is misschien persoonlijk, maar ik heb nogal de schurft aan dit soort gemakkelijke metaforen. De laatste keer dat iemand iets zei over een gecrashte harde schijf in haar hoofd vroeg ik of ze misschien een macro-virus had. Ze antwoordde ze ze geen pasje had.

Mensen als crashende Windows-pc's. Misschien heb ik zo'n hekel aan de metafoor omdat ik zelf een Mac-gebruiker ben en zelden last heb van een crashend besturingssysteem en nooit van destructieve virussen. Vandaar dat twee Mac-gebruikende mensen zich samen al een supercomputer voelen die grote levensproblemen oplost door een netwerk dat via oogcontact gaat en een verbroken contact zelf repareert met een nekmassage.

Gastcolumn voor Telescoop Actueel op 747AM, uitgezonden op 30 oktober 2003

 


12-11-2003

Het gevecht tussen Eend en Snoek

Niets mooier dan de N10. Tot Parijs is het even afzien op de péage en bij de stad aangekomen is het opletten dat je niet de juiste afslag mist of de verkeerde neemt, maar daarna, bij Chartres, begint het feest. De Route Nationale. Er zijn mensen die het met de Route 66 in de VS hebben. Ik heb het met de N10 in Frankrijk, die van Parijs tot Biarritz loopt. Over een tolweg rijden is netzoiets als door de Kanaaltunnel gaan. Het schiet op, maar je ziet niets. De N10 gaat door een zachtglooiend landschap vol kastelen, slaperige dorpjes, wijngaarden en provinciesteden. En vooruit, met hier en daar de koeltoren van een kerncentrale en natuurlijk de pest van het Franse platteland: de ZI. De 'Zone Industrielle' is een surrealistisch landschap van tapijthallen, zwembadverkopers, hypermarchés met reusachtige parkeerterreinen en goedkope benzinepompen, autodealers, onbemande motels in vier prijsklassen en fastfoodrestaurants en dat alles extra lelijk gemaakt met tientallen schreeuwerige billboards, rondom de ene rotonde na de andere.

Prachtig, vooral omdat we er in Nederland van verschoond zijn. De hypermarchés sla ik nooit over en ook de zelfbedieningshotels hebben geen geheimen voor me, maar iets weerhoudt me er van te gaan steak te gaan eten bij Buffalo Grill of mosselen met friet bij Léon de Bruxelles in hun kermisachtige decor. De Route Nationale is jaren vijftig, jaren zestig, dus je luncht of dineert bij een restaurant dat het menu van 9 euro met krijt op een schoolbord heeft geschreven.

Hoogtepunt is het verlaten benzinestation Etoile du Sud bij Sainte Maure-de-Tourrraine. Een openluchtmuseum van een tijd dat dit de verkeersslagaders van het land waren. Er horen Snoeken bij geparkeerd te staan, met lederen bekleding en een nerveuze Française in een bontjas rokend ernaast.

Grote gedeeltes van de N10 zijn inmiddels vierbaans, maar nog steeds is het rijden zoals hoort. Uren, gevoelsmatig, achter een walmende vrachtwagen naar het geel/oranje bordje 'veiculo longo' kijken. Met zeventig door een dorpskern scheuren en huisvrouwen de broek uitrijden. Zo voel je je even een Franse automobilist.

Die zijn er in twee soorten: het stoffige keuterboertje in zijn 2CV en de vettige agressieveling in zijn DS21. Inmiddels rijden ze in Mercedessen en Nissans, maar het is op de weg nog steeds het gevecht tussen Eend en Snoek. Vooral als het vierbaansgedeelte weer tweebaans wordt. Op verschillende plaatsen staan de silhouetten van verkeersslachtoffers. Een verkeersveiligheidsproject. Zwarte figuren, levensgroot. Een gruwelijk gezicht, zeker bij Angoulême, waar een heel gezin is omgekomen.

Met een Nederlands kenteken ben je vanzelf een Eend. Maar dat maakt je gelukkig zelden een silhouet.

Van Parijs tot Biarritz over de N10, 14 september 2003

 


11-11-2003

Christina zingt

Ik kijk af en toe nog eens naar de aflevering van 'Lied van verdriet' die ik in 1998 heb opgenomen. In deze VPRO-documentaire over het levenslied is fadozanger Rui de hoofdpersoon. Rui! Die ik in 1996 in Adega do Ribatejo in Lissabon zag zingen. Rui, het morsige mannetje met de spastische motoriek die me een brok in mijn keel bezorgde. Hij stond aan de deur mensen binnen te praten. Ik dacht dat dat zijn werk was. Twee jaar later zag ik in de documentaire dat hij inderdaad met recht de fado zong.

Ribatejo is een van de fado-restaurants in de Bairro Alto, de uitgaanswijk van Lissabon. Toeristen lopen er snel aan voorbij, vanwege het betegelde interieur, de tl-verlichting en de tafels waaraan je moet aanschuiven. De fadozangers zien er allemaal verlopen uit, de zangeressen werken in de bediening en de twee gitaristen lijken rechtstreeks uit de Muppetshow te komen. Maar de fado komt uit het hart en daarom barst het in Ribatejo van de Portugezen. Allen overstromend van de saúdade, dat onbeschrijfelijk gevoel van verlangen, verdriet en gemis dat je alleen maar kent als je woont in een uithoek van Europa, met eeuwenlang een imperialistisch Spanje in je rug en tegenover je een woeste Atlantische oceaan waar je doodsbang voor bent, maar waar je toch maar overheen vaart omdat je geen keuze hebt.

Rui is er niet meer, als ik jaren later weer in Ribatejo kom. Een boomlange Brel met zwartomrande holle ogen en kromme schouders heeft het overgenomen. Waarover zijn fado's gaan weet ik niet. Ik kan Portugees redelijk lezen, maar gezongen versta ik er niets van. Ondanks dat en ondanks dat de gitaristen er af en toe naast pakken, voel ik meteen de gebroken harten, de armoe en de heimwee. Gevoel gaat boven techniek. Dan komt de serveerster Christina naast de twee gitaristen staan. Ik herken de eerste maten meteen: Lagrima, een fado van Amalia Rodriguez. Het gaat over een harteloze minnaar (heb ik geïnterpreteerd en na een lange aanloop zingt ze in wanhoop: 'Ik zou willen sterven om tenminste een keer een traan op je gezicht te kunnen zien.' En wat me al heel lang niet overkomen is, gebeurt. Misschien is het de wijn, misschien is het de saudade die me te pakken heeft, maar langzaam voel ik mijn ogen vollopen.

Fado's horen spontaan gezongen te worden en hoe authentiek Ribatejo ook is (zoals de Rough Guide terecht opmerkt), er is een toeristisch programma. Van negen tot twaalf wordt er gezongen, daarna is het klaar. Maar deze avond gebeurt er iets wat iedereen hoopt mee te maken. Mensen uit het publiek, die al heel de avond meeneurieën en sommige teksten woordelijk meezingen worden opeens naast de gitarist getrokken. Een oudere vrouw zingt een fado die iedereen aan het lachen maakt (dat bestaat) en plotseling staat daar een jonge vrouw, die vertederend schuchter iedereen kippenvel bezorgt. Als Ribatejo leegloopt vertelt ze me dat het de eerste keer was dat ze in publiek gezongen heeft. Ik had gehoopt Rui tegen te komen, maar zo is het ook goed. Kon alleen hier gebeuren, in Ribatejo.

Adega do Ribatejo, Rua Diario de Noticias 23, geopend vanaf 21.00 uur, Lissabon, 6 oktober 2003

 


10-11-2003

Jagen met Frederico

Op zondag 28 september reed ik met Frederico, eigenaar van Fredemar, en zijn maat door de nachtelijke Alentejo, op zoek naar de plekken waar de meeste patrijzen, konijnen en hazen zaten. Op 5 oktober werd het jachtseizoen geopend en een beetje jager wil op tijd weten waar hij moet zijn. Ik was om vijf uur opgestaan en had kleren aan die vies mochten worden. Klaar voor het avontuur. Een paar jaar geleden heb ik een vergelijkbare expeditie met hem gemaakt. Die ging langs het nachtleven van het Portugese platteland. Op de meest onverwachte plaatsen bleken discotheken te staan waar meisjes een fles whiskey van 250 euro bestelden als je ze iets aanbood. Muurbloempjes bleken nachtvlinders en in alle bossen stond schots en scheef auto's geparkeerd, die ritmisch wiegden. Gat was het Portugal dat je niet snel leert kennen als je een last-minute naar de Algarve boekt. Dus ik wilde deze keer wel weer mee.

Maar in tegenstelling tot de vrouwenjacht bleek de patrijzenjacht een serieuze zaak. En tamelijk slaapverwekkend als je geen jager bent. Twaalf uur lang reden we met een UMM (een Portugese jeep) door de binnenlanden van de Alentejo, waar kurkeiken werden afgewisseld door olijfbomen en olijfbomen door kurkeiken. We namen alleen de zandpaadjes en passeerden verlaten dorpen, waar roestige Ford Transits zonder wielen bewoond werden door herders. Soms raakte Frederico opgewonden als hij in de verte een vlucht patrijzen zag en ze likkenbaardend met een zogenaamd geweer zogenaamd afschoot.

Jagen is net vissen, vertelde Frederico, alleen vang je minder. Het gaat om de hele dag in de natuur zijn. Alleen met je honden en je gedachten. Meer is er niet dan lopen en op het juiste moment richten en schieten. Ik heb twaalf uur lang nagedacht over mezelf, over Portugal, over de reden van mijn bestaan, de dingen die ik nagelaten heb en de dingen die ik gedaan heb. Inderdaad erg confronterend en verlichtend, vooral als je met een keihard geveerde 4x4 door karren sporen rijdt.

Twaalf uur later hadden we een handvol patrijzen gezien en twee hazen. In het café in het dorpje Entradas waar we lunchten was de jacht onderwerp van heftige discussies. Steeds meer land was gereserveerd voor leden van jachtverenigingen. En voor plezierjagers, voor wie een dag tevoren gefokte patrijzen werden losgelaten. 'Als je geld hebt, wel ja, maar de gewone man kan het vergeten,' zei Frederico. Jagen wordt als een recht gezien, niet als een gunst.

Op 5 oktober werden jagers erop betrapt dat ze uit protest jachtgebieden in brand hadden gestoken. Frederico kwam met lege handen thuis. Een week later met twee patrijzen.

 Verkenning voor de jacht, omgeving Castro Verde, 28 september 2003

 


09-11-2003

Portugese (selectieve) smetvrees 

Een plasje doen is in Portugal riskant. Ik loop naar de wc van mijn pension in Sines en halverwege komt de prikkelende, tranentrekkende geur van bleekwater, vermengd met ammoniak, me al tegemoet. Het idee van een schone wc is een plens bleekwater. Als je daarin pist zie j groene damp naar boven komen. De vloer is nagedweild, niet met water, maar met bleekwater. Als ik mijn broek helemaal zou laten zakken zouden er morgen uitgebeten vlekken in staan. Koop je in Nederland een fles bleekwater, dan staat er altijd nadrukkelijk dat je het niet mag mengen met andere schoonmaakmiddelen. Ik kan me niet voorstellen dat dat hier anders is &endash; maar dit is het land waar vijftig procent van de bewoners analfabeet is.

Bleekwater. Lixivia, je wordt er in de Portugese supers mee doodgegooid. Tien merken bleekwater. Geparfumeerd, ongeparfumeerd. Flessen van een liter, flessen van vijf liter. Overal bleekwater.

Ik loop na het ontbijt het dorp in. De winkels zijn net open en de bediendes spuiten glassex op de ramen en ze schuren de muur en de stoep met bleekwater. In een pastelaria sta ik aan de toog tussen gehaaste huisvrouwen als iemand zijn kopje omgooit. Een schoonmaakster veegt de scherven van het dikke porseleinen kopje op en spoelt daarna de koffie weg met bleekwater.

Alles wordt schoongemaakt met bleekwater en ik verdenk Portugezen er bijna van dat ze eisen dat het kraanwater gechloreerd is. De stoep, de plee, de vloer. Zelfs in de was gaat lixivia, met op de fles het ronkende opschrift dat het wordt geadviseerd door Philips, Indesit, Bauknecht en Miele en de aanbeveling van Benetton dat het niet slecht is voor de kleuren. Als ik in mijn pension het verschoonde bed opensla, ruik ik geen lentefrisse bloemengeur. Geen ouderwetse zeep. Ik ruik bleekwater. Als ik mijn sokken en ondergoed in de wastafel heb geweekt met Wipp Express en ze uitgespoeld heb ruik ik geen wasmiddel, maar chloor.

In de supermarkt gaan zes flessen bleekwater tegelijk in het karretje. En als ze leeg zijn worden ze op straat gesmeten. Langs de vloedlijn jut je door zee-egeltjes, krabbetjes, touwtjes, doosjes, lappen plastic, stukken visnet en bleekwaterflessen. Het opschrift is verbleekt, maar duidelijk lees je: Lixivia. 5 litros.

Langs de wegen zijn picknickplaatsen. Werkmannen knagen daar doordeweeks hun lunch weg, in het weekend zitten er complete gezinnen. Klapstoeltjes. Kampvuurtje. Kleed. Eten. Na afloop gaat alles in een plastic zak die aan een boom gehangen wordt. Als er nog een lege boomtak is, want overal hangen er zakjes. Soms is er een baby verschoond. De wegwerpluier wordt letterlijk weggeworpen, zover mogelijk het bos in. (En ook weer lege bleekwaterflessen. Waarom hier?) Een sigarettenpakje wordt verfrommeld weggegooid, een asbakje voor het stoplicht op de dorpel uitgeklopt, blikjes weggeschopt.

Als ik op mijn vaste plekje op het strand ga zitten moet ik eerst schoonmaak houden. Blikjes, tissues die eruitzien alsof ze met sperma tot verlepte roos zijn verfrommeld. En sigarettenpeuken die als gore krokussen hun kop uit het zand steken, tientallen, van de mensen die zwijgend over de zee hebben staan uitkijken en daarna hun peuk op het strand gooiden. Lege bierflessen. En verdwaalde flessen bleekwater.

 

Over heel Sines, omringd door petrochemische industrie, hangt een stinkende gele walm. Op het strand spoelen korsten teerproducten aan, lagunes zijn dichtgekleefd met paraffine. Tachtig procent van alle chemische afval van Portugal wordt in de omgeving van Sines in open putten gedumpt. De mensen klagen en stappen daarna in hun auto die vijf minuten met draaiende motor voor de winkel heeft gestaan. Maar de flessen bleekwater gaan er ondertussen nog steeds doorheen, als Lourdeswater.

Als ik Portugal ruik, dan ruik ik de sardientjes die om twaalf uur op de gril gaan, ik ruik de pijnbossen in de bergen. En ik ruik bleekwater.

In Portugal, 15 september t/m 10 oktober 2003


04-11-2003

30 november 2003: de tweede Absinterklaasavond

Literatuur, kunst en Portugese (50%) en Tsjechische (70%) absint. Kom terug voor de details over locatie en tijdstip. Beperkte toegang.


04-11-2003

De geur van Portugal

 

Er hangt een speciale geur in Portugal. Je ruikt het zogauw je het land binnenrijdt. Het is zoet en kruidig. Een mengsel van dennenhars, eucalyptusolie en rozemarijn. De omschrijving doet het geen recht, zoals geen enkele omschrijving ooit iets recht doet. Bijna nooit. Geen flauw idee waar die geur vandaan komt. Ook als er in de wijde omtrek geen eucalyptusboom is te zien ruik je het nog.*

Die eucalyptus is een raar geval. De boom komt uit Australië. Koala's zijn dol op de bladeren. Ze hebben hem hier niet geïmporteerd voor de koala's, maar voor de papierproductie. Eucalyptus is de populier van Nederland. Hele stukken Portugal zijn bedekt met eucalyptusbossen. Allemaal voor PortuCel, het staatsbedrijf dat de papierproductie in handen heeft. Eucalyptus is echter als vergif voor het land. Het blad dat afvalt verstikt en vergiftigt de grond. Eenmaal eucalyptus, nooit meer iets anders dan eucalyptus.

Ja, eucalyptus is een raar geval. Als je neus verstopt zit neem je iets met eucalyptusolie. Die olie komt inderdaad uit de gelijknamige boom. Bomen vol met olie, brandbaarder dan een een doorsnee, van hars overlopende, dennenboom. Toch zijn het nooit de eucalyptusbossen die branden. Het zijn de loofbossen en de dennenbossen. Het zijn ook nooit de productiebossen die branden. Het zijn altijd de natuurgebieden die branden.

Gek, hè.

Een paar jaar geleden is voor het eerst een projectontwikkelaar veroordeeld. Hij wilde graag een golfterrein maken. Met luxebungalows. Voor mensen die graag naar het buitenland gaan, maar niet graag het idee hebben dat ze in het buitenland zitten. Friet van Piet voor de rijken, zullen we maar zeggen. Het mocht niet, omdat het stuk grond dat hij op het oog had een natuurgebied was. En die bestemming is niet te veranderen. Tenzij een natuurgebied affikt, dan mag het daarna ontwikkeld worden. Het fikte dus af en dat lag er net iets te dik bovenop.

Het is elk jaar raak. Dennenbossen vliegen in brand. Eucalyptusbossen komen er voor in de plaats. Dit jaar is het een beetje uit de hand gelopen. Het heeft al maanden niet geregend. Het is nog steeds boven de 30 graden. Meer dan dertien procent van het land is zwartgeblakerd. De eucalyptusbossen gaan nu gewoon mee. Tientallen doden, honderden mensen hun huis verloren. Misschien dat er nu iets verandert. Als ik dat tegen een Portugees zegt haalt hij zijn schouders op. Dit is Portugal, kom op zeg.

Als je nu Portugal binnenrijdt hangt er een andere geur. De zon gaat bloedrood onder door de rookpluimen. Overal zie je bruine littekens in de bossen en de overheersende geur is die van een barbecue die een nacht in de regen heeft gestaan.

 

[*NB. Ik weet inmiddels waar die lucht vandaan komt. Het is een struik, met smalle blaadjes en witte bloemen. Ze voelen kleverig en harsachtig aan en ruiken precies zoals ik het bedoel. Ik heb precies zo een in de tuin gehad, maar hij overleefde de afgelopen winter niet. Ik dacht dat het toeval was dat hij zo rook. Ik zag ze staan toen ik een verkenningstocht voor de jacht maakte in de Alentejo (stuk volgt). Ze heten 'Esteves', maar dat woord kon ik niet vinden op het net. Gelukkig zaten ze vol zaadbollen. Ik heb er tien van meegenomen en kan er nu mijn hele tuin mee volzetten, zodat ik elke dag Portugal kan ruiken.]

In Portugal, 14 September t/m 12 oktober 2003

 


03-11-2003

Autoclubs 2: 75 jaar daf

Toen ik al jaren met een muis en menu's werkte op mijn Mac, beweerden de WP 4.2 onder DOS 3.1-slaven hardnekkig dat het fijn was om C\:BAT.EXE commando's in te toetsen, omdat je zo 'contact met de machine hield'. Tsja. Dat argument wordt nu ook gebruikt door automobilisten die blijven geloven dat je al schakelend contact met de machine houdt. In werkelijkheid is iedereen beter af met een automaat, al zal een incidentele koerier of vertegenwoordiger wel in staat zijn de mogelijkheden van een vijfbak volledig te benutten.

Niemand haalt het nu nog in zijn hoofd DOS-commando's te gaan leren, en met schakelen is het ook een aflopende zaak. In Tilburg staat Van Doorne's Transmissie, waar de automaat van de toekomst is ontwikkeld, de CVT. Er worden er inmiddels meer dan een miljoen per jaar van gebouwd. Geen wonder. Een auto met CVT is feller en zuiniger dan een auto met schakelpook. Ze worden tegenwoordig niet voor niets in Audi's met V6-motor ingebouwd.

De CVT is de high-tech versie van de Variomatic van Daf. De roemruchte auto uit Nederland die altijd vooraan in de file reed. De truttentriller met jarretelaandrijving. De auto waarin niemand wilde rijden, behalven vrouwen, gehandicapten en bejaarden. Die na 800.000 exemplaren in 16 jaar verdeeld over 7 modellen in 1974 overgenomen werd door Volvo en langzaam van het toneel verdween.

Heel langzaam, want een jaar of acht geleden zag je nog genoeg Dafjes. Zeker de Volvo 66, die ruimhartig door het GAK aan gehandicapten werd verstrekt. Had je een pobleempje, piepje, rammeltje of deukje, dan ging je naar de sloop en daar had je een ruime keuze. Dat is voorbij.

Van de ene kant is dat jammer. Goedkoop autorijden met een Daf is verdwenen. Van de andere kant is het goed: de auto heeft inmiddels de graad van zeldzaamheid bereikt die het zinvol maakt in de auto te investeren, in plaats van hem af te danken. Een kapotte koppeling betekende tien jaar geleden de sloop voor veel in nieuwstaat verkerende Volvo 66's. Nog steeds is een Daf de goedkoopste klassieker in de aanschaf. En het is veel meer auto dan een een Fiat 500 of een Eend. De Variomatic gaat zelden kapot en ook een motor begeeft het nooit in een Daf .

Het zal wel geen toeval zijn dat de waardering voor de Daf de laatste tien jaar veranderd is. Werd ik tien jaar geleden in mijn Dafje nog wel eens voor de lol van de weg gedrukt en uitgelachen, tegenwoordig krijg ik belangstellende vragen en verhalen over opa en vakanties naar het buitenland. Ja, ik ben in 1999 nog met een Volvo 66 uit 1978 op en neer en dwars door Portugal geweest, een reis van 8.000 kilometer.

 

Deze auto is inmiddels toe aan een restauratie. Dat is een onderneming die onmogelijk zou zijn zonder de Daf Club Nederland. De DCN werd in 1980 opgericht, toen de Volvo 66 nog gewoon te koop was en de TROS nog niet met achteruitrijraces was begonnen.

Met rond de 2.300 leden is de DCN een van de grootste autoclubs van Nederland. Samen hebben de leden zo'n vijfduizend auto's in hun bezit. Per lid varie