Carlos spreekt Nederlands

(Sines, 25 november 2007)

Carlos spreekt Nederlands. Vijfentwintig jaar geleden werkte hij in een hotel in Portimão aan de Algarve. Jeanine kwam uit Rotterdam. Na een maand was haar vakantie voorbij en vroeg ze of hij met haar mee ging naar Nederland. Ze vroeg het drie keer. Bij de derde keer zei hij ja. Ze vloog terug en hij kwam haar met de trein achterna. Carlos ging in een pizzeria werken. Hij zou voor een Italiaan kunnen doorgaan. Na twee jaar zeiden de mensen, ‘spreek je nou nog geen Nederlands?’. En hij ging Nederlands leren. Jeanine werd zwanger. Ze kregen een dochter. In Zeeland hadden ze een caravan, voor de zomer. Maar toen ging het mis. Jeanine was niet goed in haar hoofd. Carlos belde haar ouders en toen zei hij, ‘ik ben weg’. Nu woont hij al twintig jaar in Sines. Hij is bouwvakker. Zijn dochter spreekt geen Portugees. Ze komt nog wel logeren. Jeanine wil dan mee. Maar met haar in één huis, dat kan ik niet meer, zegt. In een hotel, goed, maar niet in mijn huis. En ik heb een vriendin.

Carlos is 48. Hij heeft een dikke bos grijzend haar. In het woeste borsthaar dat uit zijn openstaande hemd puilt hangt een gouden kettinkje. De latin lover van 25 jaar geleden zit nu diep verstopt, maar hij is er nog wel. Het is een beetje moeilijk, zegt hij, Nederlands praten, ik heb het al zo lang niet meer gedaan. Nederland was goed, zegt hij. Ik had een jaar geen werk en toen kreeg ik geld van de Sociale Dienst. Zomaar! Dat kun je hier wel vergeten. Geen werk, geen geld. Dat gaat niet meer zo gemakkelijk nu, zeg ik. Hij was niet van plan terug te gaan. Wat kost een fles bier nu, in Nederland, vraagt hij. Hij schrikt van de prijs. Twee euro! Koffie ook, zeg ik. Niet normaal. Nee, dat vinden wij ook in Nederland.

Nederlands spreken is beetje moeilijk voor hem, zegt hij. Maar nu komt het allemaal weer naar boven. Hij stoft de oude vergeten woorden af en zet ze op een rij op de bar. Tot straks. Bedankt. Dankuwel. Tot ziens. Godverdomme (je kon er op wachten). Lul. Jouw Nederlands is beter dan mijn Portugees, zeg ik, als je dochter langskomt, spreek je dan geen Nederlands met haar, vraag ik. Hij schudt mismoedig met zijn hoofd. Zoals ik zelf ook al gemerkt heb, tijdsbepalingen zijn het moeilijkst in een andere taal. Hij sprak in de verleden tijd over haar. ‘Dat is vergeten,’ zegt hij somber, hij heeft al jaren geen contact meer met zijn dochter.

Carlos vraagt of ik Zeeland ken. Het was er zo mooi. En weet je, zegt hij, de zee die hier in Sines op de kust slaat, die loopt helemaal door naar Zeeland. Dat is dezelfde zee.