Pension Schrödinger

Om de zoveel jaar ga ik er een maand tussenuit. Alleen. Ik ben drie keer naar Boedapest geweest en acht keer naar Portugal. Naar Sines, een toeristisch oninteressante industrie- en havenstad halverwege Lissabon en de Algarve. Het werd dit jaar weer tijd te gaan. Dit keer met meer opties. Ik dacht aan Zagreb, misschien zelfs Belgrado. Aan Berlijn, of vooruit, Lissabon.

Of toch maar Sines. In Sines staat Fredemar, zo’n ouderwets pension dat Lonely Planet en Rough Guide ‘slightly rundown but clean’ noemen en waar een overnachting 20 euro kost, en de helft goedkoper als je langer dan een paar dagen blijft. Ik ben er al acht keer geweest, mijn foto hangt achter de receptie. De eigenaar snapt niet dat ik steeds de eenvoudigste kamer wil. In 2017 kreeg ik een kamer met eigen douche en toilet. En de sleutel van de voordeur. Dat was wennen.

Vanaf 1999 vraagt hij me iedere keer als ik er kom of ik Fredemar wil kopen. Frederico moet nu ergens in de zeventig zijn, het pension was zijn pensioen. Dus het had me niet moeten verrassen dat Fredemar nu echt te koop stond. Als investeringsobject in het historische deel van Sines. Leeg opgeleverd.

Eind van een tijdperk. Niets blijft, enzovoort. Slikken en doorleven. Het is maar een pension. Zo bijzonder is Sines niet. Lissabon is veel leuker. Duurder misschien, maar wel interessanter. Ik ging tickets naar Berlijn en Kroatië bekijken en via TripAdvisor kwam ik toch bij Fredemar terecht. Met een recensie van drie maanden geleden. En een van twee weken geleden. Maar die klopte niet.

Dus hoe zat het nou? Was Fredemar nu dicht of niet? Het hele weekend had ik mijn telefoon bij de hand. Zou ik bellen? Zolang ik niet gebeld had wist ik niet of Fredemar nog open was of toch opgedoekt, of mijn koffer daar met het grofvuil was meegegaan of dat mijn sloffen nog onder het bed stonden. Of alles hetzelfde was gebleven, of dat ik moest omschakelen.

Vanmiddag heb ik gebeld. Vanavond heb ik geboekt.