De smaken

IMG_1753‘U bent geen steek ouder geworden,’ zei ik tegen Frederico. ‘Jij wel,’ antwoordt hij. Ik weet niet waarom ik hem nog steeds vousvoyeer. Hij heeft me twee keer meegenomen op jacht, we hebben een nacht lang de hoerententen in de buurt afgereden en we zijn meerdere keren samen straalbezopen geworden, inclusief toen ik mee was op de jacht en we daarna nog zestig kilometer naar huis moesten, grotendeels spookrijdend uit zattigheid. Ik probeer het wel, maar het klinkt niet, ‘toi’, tegen hem. We spreken Frans. Het is fijn dat hij vloeiend Frans spreekt. En jammer, mijn actieve Portugees beperkt zich nu tot beleefdheidsfrasen en voldoende kennis van de menukaart om nooit meer gebakken lever of koeienmaag te bestellen.

Ik meende het, over dat ouder worden. Hij is wat kaler en hij heeft een bierbuik, maar zeventig zou ik hem echt niet geven. Het is geen Nederlands fenomeen meer, dat we er na de veertig allemaal tien, twintig jaar jonger uitzien dan onze ouders op dezelfde leeftijd. Ik was 28 toen ik voor de eerste keer in Fredemar logeerde en 47 toen ik hier voor het laatst was. Nu ben ik 56. Oud. Frederico zegt het.

IMG_1763Het is bijna tien jaar geleden dat ik het laatst in Sines was. Ik was toen net hersteld van  een longontsteking. Twee weken in bed en zeven kilo lichter, amper fit genoeg om met een koffer van twintig kilo het vliegtuig in te gaan. Maar de zeelucht deed me goed, ook al is Sines omringd door petrochemische industrie en staat er een kolencentrale die ontheffing heeft gekregen om kolen met het hoogste zwavelgehalte ter wereld te stoken. Dat vertelde iemand me in 1999. De rook is nog steeds even geel. Toen ik vijf weken later mezelf woog waren de zeven kilo weer terug.

‘En nu ben je ook nog kaal,’ zegt Frederico.
‘Dat zijn mijn genen,’ zeg ik.
‘Het maakt je oud.’
Helaas niet de genen van opa Verhaeren gekregen, maar van opa Nouws. Scheelt een hoop gedoe. Geen haargel, föhn of shampoo meer in de koffer.
‘Maar ik ben wel meer dan acht kilo afgevallen.’
‘Op dieet geweest?’
‘Nee, minder gegeten. Geen koekjes bij de koffie. Geen chips. Alleen ontbijt, lunch en diner en tussendoor alleen fruit.’
‘Eet je ook geen brood?’
Brood is hier ook de satan geworden. Producten ‘sem gluten’ (zonder gluten) liggen bij de Spar op de hoek op de kopstellingen. Lactosevrije melk, koolhydraatarm brood, het zijn de light-producten van deze tijd. Ze doen maar.

Fredemar heeft ook een restaurant. Het eten is er prima, maar ik zit elke dag zestien uur op mijn kamer. Dus meestal ga ik in een ander restaurant eten, om er even uit te zijn. Bij A Nau om de hoek, dat trouwens te koop staat, of bij O Galo, dat een nieuwe eigenaar lijkt te hebben. Het eten is overal hetzelfde. Meerdere stukken vlees, met rijst, friet en een salade. Alles met knoflook en overgoten met olijfolie.

Heerlijk.

Een vriend zei ooit dat hij Portugese koffie naar karton vond smaken en die associatie heb ik nu altijd. Ook al klopt het niet. ’s Ochtends is het druk in de pastelaria’s, waar mensen een bica (een ristretto-achtige espresso) nemen met een gebakje. Een pastel de nata (bladerdeeg met gele room) of een bolo berlim (berliner bol). Ik maak zelf mijn ontbijt en lunch met een carcasse (een wit broodje), zoute boter, aardbeienjam of pittige kaas. Terwijl ik dit schrijf begin ik al half te kwijlen. Het is een stoet van madeleines die me een gevoel van thuis geven. De sletterige huiswijn die je bij je menu krijgt, het schaaltje harde olijven met steeltje als voorgerecht, de flan als nagerecht, het gebakken ei op het bieflapje in de bitoque. Dat is Portugal.

Je hebt echte restaurants, met linnen tafelkleden, sfeerverlichting en wijnglazen op voetjes, maar ik loop altijd vanzelf de restaurants binnen die het dagmenu op een papieren tafelkleed of placemat hebben geschreven (’s avonds zijn er al een paar doorgehaald). Daar zitten mannen alleen, of naast elkaar, het gezicht naar de enorme flatscreen gericht waarop elke godvergeten dag voetbal is te zien, elke competitie op regionaal niveau wordt uitgezonden.

Sines is jarenlang overspoeld geweest met seizoens- en contractarbeiders die de haven bouwden, raffinaderijen bouwden en schoonmaakten, wegen aanlegden, van het nabijgelegen V.N. de Santo André een stad moesten maken. Die moesten allemaal slapen en eten. De vissersvrouwen begonnen een restaurant of een bar in hun woonkamer, ze verhuurden kamers. de pensions waren permanent bezet. Nu zijn de mannen weg. De restaurants proberen eters te lokken met complete menu’s voor 6,50, de pensions bieden hun kamers aan voor een spotprijs, want verkopen kunnen ze het niet, die oude mannen en vrouwen die ik al in 1988 in de keuken zag staan, die volwassen mannen die toen als kind mijn eten brachten. De crisis van 2008 heeft zijn sporen nagelaten.

‘Je moet het hier in de zomer zien,’ zegt Frederico. ‘Door de bomaanslagen in Turkije en Egypte komen de toeristen weer volop. Fransen, Spanjaarden en Engelsen.’
‘Dat is goed, toch?’
‘Ze blijven maar een of twee dagen. Er is hier niets meer. De camping is gesloten. Er is geen plek voor campers. Er is niets te beleven hier.’

Dat klopt. Daarom ga ik altijd naar Sines, als ik een maand alleen weg ga. Er is hier niets te beleven. Heerlijk.