De geuren

IMG_1751

Ik ben geen reiziger, ik ben een terugkeerder. Gisteravond zat ik aan de bar van Pensão Café Restaurante Fredemar in Sines en schreef voor Frederico, de eigenaar, op een servetje hoe vaak ik hier eerder was. Mijn Portugees is nog steeds zo slecht dat ik servetjes nodig heb. Dit is de lijst.
1988, twee maanden met een vriend
1991, een paar dagen met een vriendin
1994, twee maanden alleen
1995, een paar dagen met een andere vriendin
1999, drie maanden alleen
2001, een paar dagen met mijn aanstaande en onze zoon
2003, drie weken alleen
2007, een maand alleen
En dan nu, 2017, een maand alleen

Terugkeren is fijn. En spannend. Ik ben gegaan zonder te reserveren, zonder te bellen.  Fredemar gesloten omdat het niet aan een inspectie voldeed, failliet, Frederico te oud of overleden, het was allemaal mogelijk. Dat Fredemar een website heeft zegt niets. In Bragança waren de twee pensions die ik kende ook online aanwezig maar in IRL in kledingboetiekjes veranderd. Als je er niet over nadenkt bestaat het niet. Toen ik na vijf minuten weer bij Fredemar op de stoep stond met de boodschap dat er geen kamers beschikbaar waren wist ik het even niet meer. Al was er hoop. Frederico’s vrouw deed open. Ze herkende me eerst niet, tot ik haar op de foto uit 1995 achter de receptie wees. Frederico was om vijf uur, half zes weer thuis, zei ze. Misschien kon hij iets voor me betekenen. Het leek erop dat ze er geen zin in had.

Ook Frederico herkende me eerst niet, maar toen ik ‘Sou o Jack!’ zei kreeg ik een filmische omhelzing. ‘Impossivel,’ bleef hij herhalen. Hij begreep meteen dat ik niet voor een paar dagen kwam en toonde me een paar kamers, met eigen douche en wc.

De eerste zeven keer heb ik in kamer 301 gezeten. Ik beschouwde die al als de mijne. Een bed, een stoel, een nachtkastje, een kledingkast en een bureautje. Als ik me niet vergis hetzelfde dat we gisteravond laat nog naar mijn kamer verhuisden. Meer heb ik niet nodig. Het uitzicht heb ik nog als bureaublad op mijn Mac. Frederico is een jager en hij heeft zijn honden op het dakterras, waarop 301 uitkijkt. Ik zou ze teveel opwinden als ik daar zat. In 2007 zat ik in kamer 305, nu in 205. Het is toch anders, ook al is de eigen douche een vooruitgang.

Vanochtend voelde ik me toch meteen thuis. De geur van het gechloreerde water uit de douche. De geur van de boenwas op de houten vloer, de etensgeuren uit de keuken, het is de geur van Fredemar die als een spijker door mijn neusgaten rechtstreeks mijn hersenen ingaan. Buiten ruik ik de zee. De Atlantische Oceaan die onophoudelijk probeert de haven kapot te beuken. Als de wind verkeerd staat ruik ik ook de petrochemische industrie en de gemeen-gele wolk die uit de honderd meter hoge schoorsteen van de kolencentrale drijft. Rond etenstijd, zowel lunch als diner, ruik ik houtskool en het vet dat van het vlees dat daar tijdens het grillen in druipt.

Ik heb foto’s van Portugal, ik heb geluidsopnamen gemaakt in cafés en pastelaria’s, maar de geuren vangen is me nog niet gelukt. Daarvoor zal ik altijd moeten teruggaan.