Mijn eerste verhuizing

heerdgang21Ik ben in mijn hele leven maar één keer verhuisd en ik kan me er zelf niets meer van herinneren. Gelukkig zijn er foto’s. Mijn ouders konden niet trouwen omdat de suiker nog op de bon was. Daarom moesten ze zeven lange jaren wachten, tot 1955. Toen nam mijn vader een deel van zijn vaders bedrijf over en was hij net in staat een huis te húren. In Zundert, buiten het dorp, vlak bij de Belgische grens. Het was groot en oud en lag aan een beek. De verhalen die mijn moeder erover vertelde klinken het beste in de winter bij de open haard. Mijn oudste zus was een zorgenkindje, zoals dat toen eufemistisch heette. Het tweede kind dat amper een jaar later werd geboren was een huilbaby, omdat toen nog niemand van een koemelkallergie had gehoord. Mijn vader moest in die tijd op zijn knieën naar de Boerenleenbank om geld los te krijgen voor een nieuwe vrachtwagen. Hij kreeg niets. Waarschijnlijk omdat opa een punt had gezet achter de feodale traditie de notabelen van het dorp het beste vlees te geven als er was geslacht. Of omdat de directeur zin had ‘nee’ te zeggen. Hij leende het toen van opa. Het huis was vochtig en niet warm te stoken. In de schuur logeerden bisamratten en de pastoor kwam zeuren dat het tijd werd voor een derde.

Dat soort verhalen, dus, die het mooiste zijn als ze een ander overkomen.
Daarom wilde mijn vader een ander huis. Nieuw te bouwen, want op het Brabantse platteland was het toch een beetje min om in een tweedehands huis te gaan wonen. (Zo kon mijn oom toen ook zonder veel problemen het geboortehuis, een monumentale zeventiende-eeuwse boerderij, slopen om er een karakterloze villa voor in de plaats te zetten). Gelukkig werd in die tijd het dorp weer uitgebreid. Binnen de bebouwde kom lagen van oudsher boomkwekerijen en fruitboomgaarden en voor de eerste en voorlopig enige keer werd daarvan een flink deel opgeofferd om er twee straten met huurhuizen aan te leggen. Een van die straten ging ‘De Tuintjes’ heten en om het voormalige voormalige groene karakter van de wijk duidelijk te maken zou die eindigen in een plantsoen. Een parkje met zitjes, misschien een vijvertje, bomen of een rosarium. De omringende huizen waren bestemd voor gemeenteambtenaren: een politieagent, een douanier, een klerk. Die hadden zo’n groenvoorziening echt wel nodig.

Het parkje is er echter nooit gekomen, dankzij mijn ouders.
Het verhaal hoe het zo heeft kunnen komen zou het nu goed doen bij een consumentenrubriek of zo’n gelijkhebberig programma waarmee je tegenwoordig wordt doodgegooid. Alleen was er in 1960 nog geen Pieter Storms die je terzijde kon staan.
Mijn vader kon hoog springen, mijn vader kon laag springen, hij kreeg geen vergunning om daar te bouwen. Of dat aan de dwarse directeur van de Boerenleenbank lag, of aan het wegblijven van het vlees bij de burgemeester en de notaris, was niet duidelijk. Aan de pastoor kon het niet liggen, want mijn moeder was weer zwanger. Het is tot aan Provinciale Staten doorgezet, maar mijn ouders konden het vergeten. Een plantsoentje moest er komen en een plantsoentje zou het worden.

Tot mijn moeder zich ermee ging bemoeien. Ze schreef een brief aan koningin Juliana. Ze legde daarin haar situatie uit, hoe vreselijk het was, zwanger, met twee kleine kinderen, waarvan een een zorgenkindje, in een vochtig huis waardoor ze voortdurend oorontsteking hadden. En Juliana moest toch weten hoe dat was, met een dochter die extra zorg en aandacht nodig had? Het is altijd mooi dat particulier initiatief de voorgenomen planologie dwarsboomt, maar dankzij hen werd het dorp beroofd van een schattig parkje: een paar weken later kreeg mijn moeder het bericht dat per Koninklijk Besluit mijn vader een bouwvergunning had gekregen.
Dit is in ieder geval het verhaal zoals ik het gehoord heb. Ik weet niet of het tot in alle details zo gegaan is, maar dat heb je met verhalen die het mooist zijn in de winter bij de open haard.

Afijn, toen het huis af was in 1961 kon ik mijn eerste stapjes al bijna zetten. Een paar jaar geleden heb ik het met mijn zussen moeten ontruimen. Ergens in de dozen onder mijn bed moet de brief van Juliana nog te vinden zijn, die mogelijk maakte dat mijn vader het huis heeft kunnen bouwen waarin ik ben opgegroeid. Al staat er nu een vreemde naam naast de deurbel, ik woon er nog steeds.

Verschenen in 1997 in ‘De Verhuiswijzer’.