Ik ben Toppop

Eind 1998 ging een Utrechtse delegatie op bezoek bij het Tilburgse popcentrum 013. Tivoli had Utrechtse notabelen, gemeenteraadsleden en belanghebbenden uitgenodigd voor een rondleiding door het vrije nieuwe en succesvolle uitgaansgelegenheid. Zoiets moest er in Utrecht ook komen. Toenmalig directeur Dick te Winkel vroeg mij de dag af te sluiten met een rede. Aanwezig waren onder andere de directeur van Muziekcentrum Vredenburg Peter Smids en Jos Lemaier, gemeenteraadslid voor en fractievoorzitter van D66. Het duurde daarna nog vijftien jaar voor de plannen waren uitgevoerd.

Het komt regelmatig voor dat bezoek voor mijn rijtje cd’s blijft staan en dan hogelijk verbaasd vaststelt dat er geen jazz tussen staat. Want, ‘schrijvers houden toch van jazz?’ Dat klopt ja, mits je samen met Remco Campert, Simon Vinkenoog, Hugo Claus, Lucebert en Rudy Kousbroek in Parijs hebt lopen rondkloten. In de jaren vijftig, onder de toeziende camera van Ed van der Elsken.1024px-oudegracht_245Maar helaas, ik ben geboren in 1960 en brabbelde ‘Leddie Pie’ mee op de Beatles. Op de middelbare school probeerde ik meisjes te verleiden met teksten van Anne en Kate MacGarrigle en Genesis. Tussendoor luisterde ik stiekem naar Ferry Maats Soulshow en mimede ik op kampeerweekenden rond het kampvuur mee met composities van gitaarhelden als Crosby, Stills, Nash & Young en Bob Dylan. Toen ik eindexamen deed was Sid Vicious net dood. Na de Introductiedagen op de universiteit somberde ik op Joy Division, Neue Deutsche Welle en Tuxedomoon en in de Woolloomoolloo danste ik op Italo Wave. Vlak na mijn afstuderen organiseerde Cartouche zijn eerste house-avond.
Kortom, ik ben Toppop.

Dat klinkt wat minder interessanterig dan armoeiig in Parijs op tochtige zolders bijeenklitten, Greco en Sartre tegenkomen en wijn drinken in existentialistische kelders. Sterker: ik heb nooit armoe geleden.
En ochgot: ik heb zelfs de oorlog niet meegemaakt.

Als je even het oubollige Oude Stijl Jazzfestival van Breda met de mantel der liefde bedekt, zie je dat jazz een elitaire intellectuele air heeft gekregen. De legendes zijn geschreven, de platen zijn opgenomen, het verschijnsel is opgenomen, bestudeerd, gesubsidieerd, gladgestreken en vastgelegd. Er is een Nationaal Jazz Archief, er zijn biografieën en er zijn monumenten opgericht. Kortom, jazz is cultuur met een grote ‘C’.

En wat kunnen we op muzikaal gebied daar tegenover zetten, tegenwoordig? Een brij van muzikale subculturen, met haar eigen sub-subculturen, sub-sub-sub- en anticulturen en anti-subculturen.
Van de eenvoudige maten van de rock ’n roll is alles uitgewaaierd van symfonische rock, naar punk, disco, blues, dance, R & B, punk, gabber, new-wave, retro-wave, glamrock, house, acidhouse, discohouse, grunge, speedmetal, soul en avant-garde. Het is verspreid over buurthuizen, kraakpanden, half-pipes, kelders, zolders, studentenhuizen, oude theaters, parkeergarages, galeries, verlaten pakhuizen, grand-cafés.
Het is puisterig of overjarig, langharig of kortgeschoren, ondergedoken of rebels.
Onoverzichtelijke shit die zonder de juiste kennis van schoenveters, piercingmode, platenlabels en idioom ook nog eens totaal ondoorgrondelijk is en daardoor gezichtsloos wordt.

Van TMF tot Loladamusica. Van de Grote Prijs van Nederland tot het Europees Songfestival.

En ook nog besmet door drank, xtc, efedrine, hasj, amfetamine, coke en heroïne.

Zou je zeggen.

Als je even door het mediabeeld van blowende pubers op Lowlands, krakende punkers op de Croeselaan en dreunende raves in de Jaarbeurs heenkijkt zie je iets heel interessants.

Overdoses en donderende dominees die hel en verdoemenis afroepen over goddeloze ‘nikkermuziek’, dat is niet het enige wat jazz en popmuziek met elkaar gemeen hebben.

Schrijvers, fotografen, beeldhouwers, schilders bij elkaar in Parijs. Jazzkelders, intellectuele discussies. Die tijden hoeven niet meer terug te komen, want ze zijn nooit weggeweest.

In 1989 verscheen Gimmick! van Joost Zwagerman, een boek dat voor veel mensen als een waterscheiding in de Nederlandse literatuur geldt. Voor het eerst in lange tijd werd weer een groep uitgesproken jonge mensen aan het lezen gebracht. Gimmick! beschrijft het leven van een groep kunstenaars, muzikanten, schrijvers en uitvreters in het Amsterdam van de jaren tachtig, allemaal gecentreerd rond een discotheek. Het was het eerste boek in Nederland dat duidelijk maakte dat ook Nederlandse schrijvers geen wereldvreemde kamertjesgeleerden zijn, die informatie opzuigen uit boeken, hun jeugd en gesprekken met anderen en daar onder begeleiding van een kantate of een stemmige trompet-improvisatie een verhaal van maken. Maar dat wisten de schrijvers zelf allang.

En hoewel we Gimmick! niet hoeven te lezen als een sleutelroman, noch als een gebruiksaanwijzing voor een bohémienbestaan als party-animal, is het toch voortgekomen uit datzelfde dat leidde tot de fotoboeken van Ed van der Elsken, de schilderijen van Karel Appel en de romans van Remco Campert. Het was een publiek geheim dat het boek gebaseerd was op de tijd in de RoXy van een vriendenclubje van Maximalen zoals Zwagerman en kunstenaars zoals Rob Scholte.
Geschreven in een tijd dat Nederland minder saai en bekrompen was, zodat je niet naar Parijs hoefde om je uit te leven.
Het belangrijkste wat Zwagerman eens en voor altijd liet zien, was dat ook in de huidige popcultuur literatuur, kunst en muziek onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden. Samen in de kroeg, samen aan de rol, samen aan het werk.

Ik ben geen historicus, maar ik denk dat dat zo ongeveer met de troubadours begonnen moet zijn in de Middeleeuwen, die de hoven langstrokken en al zingend de romantisch liefde in gedichten door Europa verspreidden. Er moeten eenvoudig lijnen te trekken zijn via Mozart, Schubert, de Franse impressionisten, de salons zoals Proust ze beschrijft, naar hedendaagse barden als Serge van Duijnhoven die met techno-dj Dano en Ingmar Heytze die met de band Vliegend Schroot optreedt.

Ongeveer een jaar geleden vroeg ik bij Culturele Zaken van de gemeente een stipendium aan om rustig aan mijn tweede roman te kunnen werken. Ik werd uitgenodigd voor een gesprek, waaruit bleek dat andere steden misschien hun schrijvers wel subsidiëren of op reis sturen, maar dat Utrecht dat niet doet.
Nu zult u zeggen, dat is maar goed ook, want literatuur bloeit juist bij de ontkenning van de schepper. Lijden en armoe is goed.
Nee hoor. Dat is romantische nonsens.

In het troostgesprek dat volgde, kaartte ik het broeinest van creativiteit aan waarin ik tegenwoordig verkeer. We hebben in Utrecht opvallend veel schrijvers. We hebben dichters wier bundels herdrukt worden, we hebben een uitgeverij met bekroonde debutanten, we hebben spraakmakende vormgevers, we hebben geruchtmakende danstenten, we hebben opvallende muzikanten en bands, we hebben dj’s, we hebben een schitterend literair tijdschrift, we hebben ongelofelijk grappige cabaretiers. En het loopt allemaal door elkaar. We kennen elkaar, we praten met elkaar, we helpen elkaar, we stimuleren elkaar, we hebben seks met elkaar.

Ik vertelde iets nieuws en daaruit kwam de van oorsprong eenmalige, maar zoals het zich nu laat aanzien jaarlijkse, manifestatie ‘Singel singel schrijfmasjien’, voort.
In de aanloop en de afwikkeling van ‘Singel singel schrijfmasjien’ werd me meerdere malen gevraagd waarom er nu zo opvallend veel schrijvers in Utrecht wonen. Ik kon er geen antwoord op geven. Had dat te maken met de aanwezigheid van een universiteit, of met een school voor de journalistiek? Of was het omdat iedereen Ronald Giphart wilde zijn?
Ik denk dat ik er inmiddels achter bent. Want ‘Singel singel schrijfmasjien’ werd niet in Muziekcentrum Vredenburg of de Stadsschouwburg gehouden, maar op de plek waar de organisatie gevoelsmatig vond dat die thuishoorde, waar literatuur thuishoorde, tussen de muziek, tussen de mensen, achter een lage drempel: in Tivoli.

Utrecht bloeit literair vanwege Tivoli. Sinds het openingskraakfeest in 1980 ben ik in Tivoli iedereen tegengekomen waarmee ik ooit te maken heb gehad. Mensen die hun eigen gang gaan, die zich niet laten belemmeren door tradities of gewoontes. En als het niet in Tivoli was, dan wel in een café waar je van tevoren afsprak, of in een café waar je daarna ging doorzakken.
Ik kan alleen maar het literaire verhaal vertellen, maar ik denk dat muzikanten, vormgevers, mode-ontwerpers waarschijnlijk allemaal met hetzelfde verhaal komen.
We zullen vast allemaal wel een keer in Vredenburg, op het Lucasbolwerk of in de Nicolaasstraat eindigen, maar allemaal via Tivoli.

Afgelopen december was ik aanwezig bij een Nexuslezing in de Aula van de KUB in Tilburg. De Poolse dichter Adam Zagajewski hield daar onder de titel ‘The shabby and the sublime’ een gloedvolle verdediging voor de hoge cultuur, voor het verhevene. Na afloop was er de gelegenheid tot vragen stellen, wat helaas beperkt bleef tot een slappe discussie over het subsidiëren van de hogere cultuur zoals opera, ballet en klassieke muziek, waar Zagajewski’s lezing eigenliijk helemaal niet over ging.
Een kaartje voor de opera wordt gesubsidieerd voor 300 gulden. Moet dat zomaar van iemands belastingcenten?
Ja, zei Zagajewski en ja, zeg ik ook. Van mij kan er niet genoeg subsidiegeld naar opera, ballet en klassieke concerten gaan, ook al worden subsidies betaald van gemeenschapsgelden, zoals belasting soms eufemistisch heet. Mijn geld.

Maar dat subsidiegeld moet ook naar de cultuur met een lagere drempel gaan. Ook popconcerten worden gesubsidieerd – maar als een bedrijf het doet heet het sponsoring – bijvoorbeeld uit de overwinst op de verkoop van water met koolzuurgas, suiker en een beetje karamel. Ook mijn geld, dus.

Het misverstand bestaat dat de popmuziek, en alles wat daarmee samenhangt, floreert bij scharrelen in de marge, verscholen in ooit gekraakte gebouwen die na geen eenentwintig verbouwingen kunnen voldoen aan de voorwaarden waaraan ze eigenlijk moeten beantwoorden.
Ik kan dit ook weer koppelen aan de literatuur: bedenk maar eens waarom juist in Amsterdam, waar de literaire subsidieruiven goed gevuld zijn en waar jury-, commissie- en subsidiegevers vrij en incestueus omgaan met diegenen die ze bedienen, waarom juist daar de literatuur bloeit.

Popcultuur bloeit niet dankzij de desinteresse van de gevestigde orde, maar ondánks die desinteresse. Geen enkele vorm van kunst of cultuur is gediend bij armoe en onderdrukking. De mooiste dingen in de wereld zijn gemaakt door creatievelingen die door hun opdrachtgevers goed zijn verzorgd.
Toen Tivoli net gekraakt was, heette de actiegroep erachter nog ‘Tivoli Tijdelijk’. Als je nu op een uitgaansavond het oude NV-huis op de Oudegracht goed bekijkt zie je dat Tivoli nog steeds tijdelijk is. Het wordt tijd dat Tivoli definitief wordt.
Als je vanuit de stationsrestauratie naar buiten kijkt zie je hoe ze de kantoren van Hoog Catharijne aantrekkelijk hebben gemaakt door ze hondenpoepbruin, kneuzingblauw, menstruatiebloedrood, braakselgroen en babypisgeel op te schilderen.

Nee, soms voldoet een fris kleurtje niet. Het moet helemaal opnieuw.

tivolivredenburg-2014-08