Meelijden met Marc

ER LAG EEN lijk achter de voordeur. Een vrouw. Ik zag een rood T-shirt, een spijkerrokje en lange blonde krullen. Door het draadglas heen leek haar onderlijf ontbloot. Het was zover. We wisten dat dit een keer ging gebeuren. Maar waarom nu en waarom net vandaag… Marc – want ik achtte hem hier zondermeer voor verantwoordelijk – vertrok blijkbaar met net zoveel drama uit zijn woning als hij twee jaar geleden erin getrokken was.
Ik stak de sleutel in het slot, er moest meteen gehandeld worden. Voorzichtig duwde ik tegen de deur, die door haar lichaam werd geblokkeerd. De kokosmat achter de deur waarop ze lag schoof langzaam mee, waardoor ik me naar binnen kon wurmen, de centrale hal in van het appartementcomplex.img_0089-300x225

Eén vraag was meteen beantwoord. Het was Marc zelf. Hij had zijn schouderlange haar geblondeerd. Allemachtig, wat lag hij er weggegooid bij. Zijn afgeknipte spijkerbroek hing op zijn knieën. Zijn geslachtsdelen rustten op de kokosmat. In ontspannen toestand zien die er altijd vertederend uit. Uit proportie en ook walgelijk. Hij lag in zijn eigen zeik. Het grootste deel daarvan was in zijn broek getrokken. De geur herinnerde me aan de tijd dat ik me had laten wijsmaken dat je haaruitval kon tegengaan door je hoofdhuid te masseren met ochtendurine.
Ik duwde met een voet voorzichtig tegen het lichaam. Hij was in ieder geval niet dood, hij haalde snorkend adem.
‘Marc!’
Als hij rohypnol had geslikt kon hij gemakkelijk een liter Jägermeister achteroverslaan, ik had het hem zien doen. Zijn wimpers trilden. Ik liet me op de vuilnisbak naast de deur zakken. ‘Marc!’ Ik schopte wat harder. Zo’n zielig hoopje mens en zoveel om een hekel aan te hebben. Zijn ogen gingen langzaam open. Ik was op mijn hoede, hij kon zo weer uitbarsten. Niet dat ik bang voor hem was. De afgelopen twee jaar had ik al veel met hem meegemaakt, maar mij had hij nog nooit bedreigd.
IK BEN HONKVAST, zodat ik de afgelopen acht jaar mijn buren in het complex met éénkamerappartementen al meerdere malen ververst had gezien. We deelden de gangen en een gemeenschappelijke voordeur en verder leidde ieder zijn eigen leven. Soms was het contact aimabel, soms bleef het bij een kort knikje. Iedereen had zijn muziek wel eens te hard, iedereen ging wel eens een te laat slapen en iedereen maakte wel eens teveel troep in de gang. Dat werd geaccepteerd zolang de overlast een beetje evenredig verdeeld was. Alleen, sinds Marc twee jaar geleden boven mij was komen wonen was er van evenredigheid geen sprake meer. Nog geen half uur nadat de laatste meubels waren binnengedragen zette hij zijn muziek zo hard dat het servies uit mijn keukenkastjes rammelde. Het lawaai was zo tyfushard dat ik mijn weerzin om vreemden aan te spreken al na een half uur had overwonnen. Ik trok mijn voordeur open en botste zowat tegen de nieuwe buurman op.
Dat was onverwacht.
Hij begon meteen te praten. ‘Weet jij hoe je de deur open krijgt als je jezelf hebt buitengesloten? Heeft de woningbouwvereniging een sleutel?’
‘Nee. Heb je niemand een reservesleutel gegeven?’
Hij schudde zijn hoofd.
‘Is dat jouw muziek?’ Ik kwam er amper overheen.
‘Nee.’
‘Het komt toch uit jouw huis?’
‘Jawel, maar het is mijn muziek niet.’
Ik liep met hem mee naar boven. De deur vibreerde in het kozijn. ‘Dus dit is jouw muziek niet?’ schreeuwde ik.
‘Nee.’
Nam hij me nu in de maling? We keken elkaar zwijgend aan. Dit was een ongemakkelijke situatie. Marc was een mooie jongen. Een regelmatig gezicht, scherp afgetekende trekken, sterke kaaklijn, halflange krullen, een pezig lichaam. Hij gaf geen sjoege. En die muziek moest uit. Hoe dan ook.
‘Als je een flinke trap tegen de deur geeft ter hoogte van het slot heb je hem open,’ zei ik tenslotte. ‘De deurposten zijn van vurenhout en de slotvanger zit er met te korte schroeven in. Of je moet het draadglas eruit trappen, dan kun je het claimen bij de glasverzekering.’
Marc nam positie in voor zijn deur en toen zag ik pas dat hij dronken of stoned was. Ondanks zijn wankele evenwicht verwijderde hij met een gerichte karatetrap de slotvanger uit de deurpost. De muziek schetterde naar buiten. Hij ging naar binnen om zijn versterker zachter te zetten. Ik liet mijn hand over het kapotte kozijn glijden.
‘Misschien moet je… hoe heet je eigenlijk?’
‘Marc.’
‘Misschien moet je de 24-uursservice bellen, Marc’ zei ik.
‘Ik ben decorbouwer. Ik kan dat zelf wel repareren.’
Wat hij deed.

MARC SMAKTE EEN paar keer en vroeg schor iets te drinken. Toen ik terug kwam met een fles mineraalwater zat hij rechtop. Hij had zijn broek omhoog gesjord en leunde met zijn rug tegen de voordeur van het leegstaande appartement beneden.
Nog een paar dagen. We hadden ons een jaar van onze beste kant laten zien, dat zoiets moest kunnen, gedaan alsof hij een paradijsvogel was (‘leuk toch, zo’n kleurrijk figuur!’), dat je iemand een kans moest geven, dat het altijd wel wat was. Tot de machteloosheid ons naar de keel greep en het niet meer trokken en toen duurde het nog eens een jaar van klagen, overleg met de wijkagent, dossiers opbouwen, handtekeningen zetten en onderhandelen met de woningbouwvereniging voor het zover was. Dit was zijn laatste weekend, daarna verhuisde hij naar een woning in Lunetten, een begeleid wonen project.
Hij dronk zijn water en schraapte zijn keel. En zweeg.
‘Waar ben je mee bezig, Marc?’ vroeg ik na een veel te lange stilte. ‘Je hebt beloofd je rustig te houden. Niet drinken. Geen drugs. Geen overlast. Jij helpt ons en wij helpen jou, weet je nog?’
‘Ik ben oké,’ zei hij, ‘het is goed, oké, niets aan de hand, joh. Ik was gewoon even, eh…’
‘Aan de zuip.’
‘Nee, echt niet. Ik ben niet dronken. Ik heb hard gewerkt om de boel op te ruimen en ik was vergeten mijn medicijnen in te nemen. Dat is alles. Ik pak morgen mijn spullen en dan heb je geen last meer van me. Dan heeft niemand meer last van me. Dan heb jij je zin, dan heeft de hele straat zijn zin, dan heeft de hele wereld zijn zin. Dus laat me effe.’ Hij liet een keiharde boer en nam een lange teug uit de fles water.
‘Hoezo heb ik mijn zin dan,’ vroeg ik.
‘Vooruit. Jij bent geen kwaaie vent. Jij bent geen verraaier, zoals de rest, ik heb ze wel door. Kankerlijers. Hé, je ziet er netjes uit,’ liet hij er opeens onverwacht joviaal op volgen.
‘Soraya is getrouwd vandaag. Je weet wel, die hier drie maanden gewoond heeft, tegenover me. Ik ben naar de bruiloft geweest.’
Geen verraaier. Hij moest eens weten.

NA MARCS LUIDRUCHTIGE entree was het lang rustig in het gebouw. We kwamen elkaar soms op de gang tegen, of bij de berghokken achter en alles leek erop dat het bij een incident zou blijven.
Wel deed Marc dingen die we niet gewend waren. Hij sleutelde binnen aan brommers en in zijn berghok snorden koelkasten die hij repareerde en samen met een vriend verhandelde. In de zes jaar dat ik hier woonde, en omdat ik thuis werkte en overdag meestal thuis was, had ik langzaam gewoontes ingevoerd die door de bestaande en nieuwe bewoners waren overgenomen. Ieder zijn eigen vuilnisbak naast zijn voordeur. Het oud papier in een bananendoos die hergebruikt werd en door mij naar de ARM gebracht. Altijd vragen wie het was voor je de deur met de intercom opendeed. De fietsen in het berghok zetten en niet op de gang. Eens per maand de gangen vegen.
De komst van Marc bracht die orde en regelmaat behoorlijk in de war. Wanorde sloop het gebouw binnen. Van vage, muf ruikende, mensen die op alle bellen drukten net zolang tot iemand opendeed, tot bergen met bouwmateriaal dat hij uit vuilcontainers of van bouwplaatsen meenam. Binnen de kortste keren liet iedereen het op zijn beloop.
Ik had daar misschien wel meer last van dan van zijn aanvallen, zoals ik ze noemde.
Die aanvallen begonnen op de dag dat hij zijn werk in de studio kwijt was. Ik hoorde hem die ochtend zijn brommer niet starten en ’s avonds was het bal. Eerst de muziek in korte salvo’s, alsof hij zich telkens vergiste welke kant hij ook alweer de volumeknop op moest draaien en daarna een uur hiphop afgewisseld met gebonk. Ik zat net lekker een Portugees reiswoordenboek te corrigeren en de takkeherrie bedierf mijn plezier in het doorvlooien van de drukproeven op zet- en spelfouten. Ik ging naar boven en belde aan, meerdere keren. Hij reageerde niet. Woedend schopte ik tegen zijn deur. Om bij te komen ging ik de post en afschriften van de afgelopen maand ordenen en opbergen, dat maakt me altijd rustig.
De muziek ging uit. Even later stond Marc verwilderd voor mijn deur. ‘Heb jij bij mij aangebeld?’
‘Ja.’
‘Waarom?’
‘Wat denk je? Ik kan niet werken door die muziek.’
‘O,’ zei hij en liep weg.
Even later hoorde ik geruzie op de gang, gegil, gegrom en het breken van glas. Ik ging kijken en zag hem staan, alleen, met diepe snijwonden in zijn linkervuist.
‘Heb jij pleisters? Ik had mezelf buitengesloten. Ik heb het slot te goed terug vastgemaakt. Ik heb het glas eruit moeten slaan.’
Allemachtig. Hij had inderdaad met zijn blote vuisten het draadglas kapot gekregen. Ik liet hem binnen, maakte de druipende wond met jodium schoon en verbond zijn hand.
Terwijl ik later mijn vloerbedekking schoonmaakte en alles ontsmette overdacht ik de situatie. Ik had twee verschillende stemmen gehoord in een woordenwisseling, maar buiten ons tweeën was er niemand thuis. Toen begon het me te dagen.

DE VUILNISBAK ZAT niet echt lekker, het deksel zakte langzaam door en de gespackte muur was ook niet comfortabel, maar het leek me beter bij Marc te blijven tot hij weer een beetje bij zijn positieven kwam. De gang stond vol met rotzooi, dingen die Marc aan het verhuizen was en de gebruikelijke verzameling bouwmaterialen, ijzeren staven, balken, plaatwerk. Soraya en ik waren de enigen geweest die zich nog een beetje met hem bemoeiden en nadat zij bij haar verloofde was ingetrokken bleef ik over. Ik zon op een manier een belangstellende vraag over zijn komende verhuizing te stellen zonder dat het overkwam als een aanbod om te helpen. Dat viel niet mee, dus ik zweeg.
‘Hoe laat is het?’ vroeg Marc.
‘Middernacht. Geweest. Waar was je?’
‘Ik weet het niet meer. Hier denk ik. Is er verder niemand thuis?’
‘Nee. Je hebt ze allemaal weggejaagd.’
‘Ha! Is het echt zo erg?’
‘Ik overdrijf het, maar als je zeker wilt zijn van ongestoorde nachtrust in dit huis dan kun je beter ergens anders gaan slapen. En dat doet eigenlijk iedereen die hier nog woont. Zelfs als het rustig is slaap je nog niet lekker omdat het elk moment misschien toch weer fout gaat. Dus eigenlijk overdrijf ik niet.’
Marc dacht even na. ‘En jij dan? Waarom slaap jij hier dan nog?’
‘Dit is mijn huis. Ik werk hier. Ik laat me niet wegjagen. En ik heb niemand om bij te gaan slapen.’
‘Is het uit met je vriendin, dan?’
‘Ja, al driekwart jaar.’
‘O. Sorry. Zo lang al. Waarom? Ging ze vreemd.’
‘Nee, ze ging niet vreemd. Waarom zou ze vreemdgaan?.’
‘Oké, al goed, al goed. Omdat ze je niet meer kon verdragen?’
‘Wat is dat voor een opmerking?’ reageerde ik geïrriteerd.
Marc grijnsde. ‘Ik ben wel een borderliner, maar ik ben niet gek.’
Blijkbaar. Het was de spijker op de kop.

BIJ MARCS VIERDE aanval bleek dat hij zich al aardig op zijn gemak voelde in zijn nieuwe buurt en daarom de hele straat gezellig mee liet doen. De scheldpartijen uit het raam (verbazend hoe grof je alles kunt maken door er ‘káánker’ voor te plakken) waren tegen niemand persoonlijk bedoeld, maar de buren aan de overkant van de straat namen het niet zo sportief op, zo bleek later. Geen muziek deze keer, alleen een dreunsessie. Ik weet niet wat hij deed, maar het hele huis dreunde. Onafgebroken. Ke-dónk. Ke-dónk. Ke-dónk. Ke-dónk. En toen was het stil.
Het gebeurde op een vrijdag, mijn vaste kroegavond. Op weg naar de Bastaard passeerde ik Kafé België en daar zat Marc binnen, alleen aan een tafeltje. Ik keerde om en ging de kroeg binnen. Hij zag me pas toen ik met een glas bier bij hem aanschoof.
‘Had je last van de herrie?’ vroeg hij. ‘Het spijt me.’
Toen had ik anders moeten reageren. Ik had alles moeten zeggen behalve datgene wat ik heel laf zei: ‘Het geeft niet. Dat kan gebeuren. We maken allemaal wel eens herrie.’ Want daarmee bagatelliseerde ik het. Dit was geen lesbische stel als bovenburen dat omstebeurt langdurig en vanuit de tenen klaarkwam. Dit was geen conservatoriumstudent die een akkoord niet onder de knie kreeg. Dit was geen buurjongen van dertien met een jaszak vol kanonslagen. Dit was helemaal niet iets om luchtig over te doen. Ik had zojuist mijn onderhandelingspositie weggegeven en de deur geopend naar twee jaar overlast.
‘Fijn dat je het zo opneemt. Ik heb mezelf aan toe niet in de hand.’
‘Dat heb ik door. Wat is er met je?’
‘Ik ben borderliner. Zegt je dat wat?’
‘Nee.’
‘Dan ben je alles. Manisch-depressief. Paranoïde-schizofreen. En psychotisch.’ Hij vertelde hoe hij als zeventienjarige op het gymnasium doordraaide. ‘Dat is de leeftijd waarop het naar boven komt en meestal bij intelligente mensen.’ Zijn ouders lieten hem opnemen in een woongemeenschap. Op zijn eenentwintigste, een paar maanden geleden, was hij genezen verklaard. Hij had her en der gelogeerd bij vrienden en bekenden en tenslotte een werkruimte gehuurd in een kelder aan de Oudegracht. Hij woonde daar al een paar weken toen hij zag dat er een appartementje leeg stond in ons complex. Hij liet een urgentieverklaring regelen en binnen een dag was het geregeld.
Ik begreep iets niet. ‘Maar als je genezen bent, hoe kan het dan dat je van die aanvallen hebt?’
Marc grijnsde. ‘Ik was het daar zat. Ze konden me niet verder helpen. Ik draaide al zo lang mee dat ik precies wist te zeggen wat ze wilden horen. Geleerd van de anderen. Niemand sluit me ooit weer op.’
Inderdaad. In ieder geval niet lang.

‘WAT IS HET voor een plek waar je gaat wonen?’ Ik had eindelijk een neutrale vraag weten te bedenken.
‘Zoiets als dit, maar dan aan de rand van Lunetten,’ zei Marc.
‘Hè? Ik dacht dat je naar een begeleid wonen project ging.’
‘Ja, er komt elke week iemand kijken.’
‘Ja maar dat was de afspraak niet! Je zou naar een soort van woongroep gaan, waar je zelfstandig woonde met toezicht.’
Marc streek zijn haar uit zijn ogen en keek me argwanend aan. ‘Wat bedoel je met ‘afspraak’? Ik weet van geen afspraken af.’
De vuilnisbak kraakte onder me toen ik ging verzitten. ‘Luister, ik heb alleen een handtekening gezet onder voorwaarde dat er iets voor je geregeld werd.’ Hij hoefde verder niet te weten dat ik de hele uitzetting op touw had gezet, dat ik de contactpersoon was met de wijkagent, die nauwkeurig elke uitwas noteerde, minutieus een logboek bijhield met zijn acties, de schade, het aantal flessen dat uit het raam vloog en de namen van de dealers die over de vloer kwamen.
Iedereen was bang dat hij zichzelf of een ander iets aan zou doen, opzettelijk of niet. Het vervelende was dat er niets gedaan kon worden voordát hij iemand iets had aangedaan. ‘In Nederland kun je niemand tegen zijn zin laten opnemen,’ hoorde ik iedere keer weer. ‘Alleen als die meneer het zelf wil. Alleen als hij het zelf wil. Of wanneer hij een gevaar is voor zijn omgeving of zichzelf.’ Een jaar lang niet kunnen slapen, zodat ik in staat was mezelf op te knopen, dat telde dus niet.
Marc ging verzitten. ‘Ik hoop dat er niemand thuis is hier. Als de deur open gaat val ik om.’
‘Maak je geen zorgen. Het staat leeg.’
‘Vanwege mij?’
‘Geen idee.’ Natuurlijk wel. Iedereen die de leegstaande woning kwam bezichtigen vertelde ik gedetailleerd wat hem of haar te wachten stond en als het kon liet ik ze de meerdere keren herstelde voordeur van Marcs appartement zien en haalde ik wat buren erbij. Het was een van de manieren om de woningbouwvereniging te dwingen maatregelen tegen Marc te nemen. Ik had zo al een half jaar twee woningen leeg weten te houden, toch een schadepost van een paar duizendjes.
Marc greep naar achteren om een andere houding te kunnen aannemen. Ik zag een lege jeneverfles wegrollen. Ik deed net of ik het niet zag.
‘Misschien is een nieuwe start wel prettig,’zei ik. ‘Niemand die vooroordelen heeft. Een mooi frisgeverfd huis.’
‘Ik heb ook weer een baan.’
‘Nou, kijk eens aan,’ hoorde ik mezelf zeggen. ‘Als je een baan hebt gaat het goed met je, hè. Beetje met je handen werken, niet nadenken.’ Godallemachtig, dat ik in staat was dit soort onzin uit te kramen…
‘Heb jíj eigenlijk een baan?’ vroeg hij.
‘Nee, op het moment niet. Maar ik ben freelancer, het is meer dat ik even geen opdrachten heb.’
‘Lastig dan, hè, dat je niet bezig bent, dat je alleen maar kunt nadenken. Over jezelf. En waarom je vriendin bij je weggelopen is. Had je haar kunnen tegenhouden? Of was je daartoe niet in staat? Je loopt dan alleen maar te malen. Vroeger had je iets om je gedachten mee in toom te houden. ’s Ochtends wist je al wat je ’s avonds zou doen, op maandag wist je waar je vrijdag was. Je was bezig, je hield de spoken en de stemmen op een afstand, je bleef ze voor, maar langzaam halen ze je in, ze laten je struikelen, ze springen opeens tevoorschijn enige wat je nog kan doen is roepen… help… hellp… hellup… HELLUP!!!’
Ik sprong bijna omhoog van mijn ongemakkelijke troon. Ik had deze schreeuw al zo vaak gehoord, maar van zo dichtbij…
En niet alleen letterlijk van dichtbij.
Ook figuurlijk.

MARCS LEVEN BEVOND zich op een hellend vlak en wij gleden mee, de stront in. Zijn constante aanwezigheid irriteerde me, ook omdat elk geluid – een vallende vork, een piepende deur – de inleiding kon zijn tot een gewelds- of geluidsexplosie. Dat wisselde steeds vaker af met eindeloze huilbuien waarbij hij om zijn moeder riep. Ons kwartje viel: al die herrie, het was één grote schreeuw om aandacht. Het was aandacht die ik niet kon geven, niemand in het gebouw. Soms, wanneer hij als een huilende kleuter voor mijn deur stond, met bloedende vuisten natuurlijk, mocht ik van hem de crisisopvang bellen, dan wilde hij niets liever dan opgenomen worden. Maar de andere dag was hij weer thuis (‘Ik weet precies wat ik moet zeggen om losgelaten te worden.’). Ik had het telefoonnummer van de vriend met wie hij de koelkastenhandel had gehad en daar kon ik hem af en toe afleveren. Marc moest als een baby behandeld worden, hij had sterke behoefte aan rust, reinheid en regelmaat. In ieder geval aan rust en regelmaat. In ieder geval regelmaat. Ik fietste graag naar Lombok met Marc achterop. Wist ik zeker dat ik weer twee dagen rust had.
In de tijd dat ik achter elkaar mijn opdrachtgevers kwijtraakte en mijn vriendin bij me wegging omdat ze mij niet meer kon verdragen – en niet meer om mijn ‘rechtlijnige manier van denken’ kon lachen –, kon het me allemaal niet zo veel meer schelen. Ik lag zelf misschien wel vaker bezopen naar het plafond te staren dan Marc. Ik ontdekte zo dat het huilen vanzelf overging.
Het afharden gaat snel, zoals Petra en Johanna, twee vriendinnen die me kwamen ophalen voor de Parade, merkten. Het was warm, iedereen had zijn ramen wijd openstaan en Marc lag te kermen. ‘Mamaa, maa-maaa-aah.’
De meiden keken naar mij. ‘Wat is hierboven aan de hand?’
‘O, da’s niks bijzonders.’
‘Ma-a-a-a-maaa!!!’ schalde het door de straat. Die eenzaamheid – van een kind dat ontdekt dat het aan zichzelf is overgelaten tussen vreemden – die hoorde ik. En het deed me niets. Echt niet.
‘We moeten naar boven, we moeten helpen,’ zei Petra, ‘dit is niet normaal.’
‘Het is niets,’ zei ik.
Ze keken me aan alsof ik een harteloos monster was.
‘Wacht maar, hij verandert zo van toon.’ En inderdaad, het klaaglijke jammeren stierf weg waarna Marc mijn geloofwaardigheid herstelde door ‘LEKKERE WIJVUH! LEKKERE WIJVUH!’ uit het raam te brullen. Lege bierflesjes knalden op straat. Ik telde ze stuk voor stuk mee, als de kilometers van een donderslag. ‘HOERUH!’ ‘NEUKUUUHHHH!!!
‘En dat is vierentwintig,’ zei ik. ’Kom, zijn krat is leeg, we kunnen wegfietsen.’
De meisjes keken angstig omhoog terwijl ze hun fiets los maakten.
‘Geen zorgen, hij heeft niets meer om mee te gooien,’ stelde ik ze gerust. Op dat moment knalde er tegen de pui van de overburen een groene fles aan gruizels. Ik was de Jägermeister vergeten.
MARC KEEK ME strak aan. ‘Ik zal je eerlijk zeggen dat ik het niet fijn vind dat het zo gelopen is. Ik heb je de kans gegund. Maar je hebt duidelijk laten zien dat je niet alleen kunt wonen. Niet zonder dat er iemand op je let. Je familie doet het niet. Ik heb ze hier tenminste nooit gezien. Je vrienden zie ik ook niet meer. Die hebben er vast genoeg van. En ik kan het niet. Ik kan niet voor je zorgen.’
Hij haalde een verfrommeld shagzakje uit zijn kontzak en begon met bevende handen een sigaret te draaien. Ik zei niets. Het leek me beter even niets te zeggen.
‘Ik wil het niet. Niemand hier wil het. Het is mijn taak niet. Ik heb mijn eigen sores. Maar ik wilde dat er beter voor je was gezorgd.’ Hij inhaleerde en blies de rook weer uit. ‘In de twee jaar dat je hier woont heb ik je zien veranderen. Jij bent iemand die rust en regelmaat nodig heeft. En die is er niet meer. Dat zie ik. Ik zie je zwemmen. En dat doet me pijn. Maar ik kan je niet helpen. Je hebt professionele hulp nodig.’
Hij sprak op een vreemde toon, met een andere intonatie dan ik van hem gewend was.
‘Maar weet je. Ik zat een keer met je bij de crisisopvang en bij de intake keek ik naar je en ik hoorde je praten en toen besefte ik opeens: jij spreekt hun taal. Je weet precies wat je moet zeggen. Je hebt de gave van het woord. Je gaf exact de juiste antwoorden, met de juiste overtuigende aarzeling om ervoor te zorgen dat ze je niet zouden adviseren op te nemen. Ik zag het aan je ogen. En je meende het. Precies zoals je het meende dat je geholpen wilde worden. Maar toen je daar zat werd je bang. Weet je hoe bang je was?
‘Nee,’ zei ik, ‘vertel me eens.’
‘Op een bruiloft staat een jongetje midden op de dansvloer. Om hem heen een kolkende massa van verhitte koppen, die gieren van het lachen om zijn gezicht. Een dikke man waar het zweet vanaf druipt en uit wiens greep hij zich al een paar heeft ontworsteld, knelt hem vast onder zijn klamme oksel tegen zijn vadsige weke buik. Het jongetje wordt bijna gewurgd en iedereen lacht om zijn spartelende beentjes. Hij voelt dat het ongepast is om te schoppen of te bijten. Zijn ouders zien de paniek niet. De machteloosheid brengt tranen in zijn ogen en…’
‘Hou op!’ riep ik, ‘hou op!’
‘Er moet iemand voor je zorgen, dat is alles,’ zei Marc. Hij bleef het herhalen, mechanisch, als een mantra, terwijl ik er doorheen schreeuwde dat hij zijn kop moest houden.

MARCS AANVALLEN DREVEN me min of meer in de armen van mijn tijdelijke buurvrouw Soraya. Soms had hij een baantje en dan was het rustig, maar hij hield zijn werk steeds korter vast en na een jaar was een rustige dag eerder uitzondering. Na zijn familie was nu ook de vriendenkring afgehaakt.
Hij was begonnen met zelfmedicatie. De kranten stonden toen net vol met de weldadige werking van Ritalin op ADHD’ers. Toen dat niets deed ging hij aan de rohypnol en allerlei pillen die op –pam eindigden. Ze werden afgeleverd door de beruchtste dealer van Utrecht. Toen ik de wijkagent sprak na een klacht van de buren, vertelde ik hem wie we bijna dagelijks binnen zagen komen. Vanaf dat moment hadden we een vaste wekelijkse belafspraak.
Soraya was goed een half jaar geleden in onderhuur gekomen in het appartement tegenover mij. De eigenlijke bewoonster had in ruil voor een flinke opslag op de huur niet verteld wat er zich regelmatig afspeelde in de Korte Smeestraat. Ik moet niet veel hebben van illegale onderverhuur, maar daar kon ik Soraya niet mee lastigvallen. Daarbij, het was een appetijtelijke vrouw die altijd een heerlijke muskusachtige lucht achterliet, overal waar ze liep.
Ze woonde exact drie weken tegenover me, toen Marc na een bezoek van zijn dealer weer een aanval kreeg – de weldadige werking was bij hem blijkbaar een gewelddadige werking – en zijn ramen eruit sloeg. Het dubbelglas regende in dikke droppels neer op een passerende auto uit zo’n gezellige warme Utrechtse volksbuurt, waarna de inzittenden ons huis met honkbalknuppels belegerden en we door de politie ontzet moesten worden. Uit gewoonte sleurden de agenten onmiddellijk Marc uit zijn huis; ze lieten het tuig buiten ongemoeid. Toen Marc later op de avond weer op de stoep stond verbond ik zijn wonden en belde Soraya de glasservice. En de crisisopvang. Ik was daar allang mee opgehouden. Ik kon het telefoongesprek woord voor woord voorspellen: ‘Die meneer mag alleen komen als hij niet agressief is’.
‘Dat is juist het probleem, mevrouw.’
‘Dan kunnen we niets voor u doen.’
Omdat Marc eenmaal in zijn appartementje de volumeknop weer kwijt was, nodigde Soraya me uit bij haar van de schrik te bekomen en een borrel te drinken tot het wat rustiger werd. Ik vertelde haar wat er zich de afgelopen anderhalf jaar al had afgespeeld en zij luisterde, we dronken tequila, ze vertelde over haar verloofde die tijdelijk in het buitenland zat en de komende bruiloft, ik luisterde, ik vertelde over mijn verbroken relatie en zij vroeg of ik bleef slapen en ik bleef bij haar slapen. Ik bleef bij haar slapen tot haar verloofde terugkwam. Ze zorgde voor mij en ik voor haar.

‘KOP DICHT, KOP dicht,’ bleef ik schreeuwen tot Marc tenslotte stil was.
‘Dat lawaai ook van jou de hele tijd,’ zei hij verongelijkt. ‘Zo kan ik toch niet werken. Het moet afgelopen zijn.’ Die stem…
‘Net alsof jij zo rustig bent,’ zei hij met zijn eigen stem.
‘Wie moet ik bellen? Wil je dat ik iemand bel?’
‘Ja.’
‘Wie dan?’
Ik keek hem verbijsterd aan. Die stem, dat was mijn stem.

DE LAATSTE DRIE maanden was het rustig. Marc had uiteindelijk iets uitgevreten wat de uitzettingsprocedure op gang zette. Goed beschouwd hield hij de hele straat in gijzeling, waardoor we aan een soort Stockholmsyndroom gingen lijden. De hele straat bestond uit mafkezen waarmee ik liever niets te maken had, een buurman die elk half jaar zijn huis verbouwde, een exhibitionistische buurvrouw, een gitaarspelende alcoholiste, een gokverslaafde oma, een weduwe die elke ochtend obsessief haar ramen lapte en een corpsballenhuis, maar vergeleken met Marc was het een toonbeeld van gezonde Nederlandse burgerzin. Voortaan groette iedereen elkaar op straat. Langzaam bouwden we met zijn allen een dossier op over Marc. We konden hem er niet uit laten zetten voor alles vastgelegd was, en daarmee werd elk miniem gebeuren een zaak van gewicht. Elke slak wordt een zaak van gewicht, als je er maar genoeg zout op legt.
Marc bleek in staat de draadloze telefoon van de overburen af te tappen. Nadat hij zijn stereo-installatie naar buiten had gegooid belden zij de wijkagent. Meteen daarna begon hij hen met een buks te beschieten. Deze keer werd hij door een overvalteam in kogelvrije vesten meegenomen. De deur boven werd opengebeukt met een stormram en gillend en krijsend werd Marc naar beneden gesleept. Ik stond in de deuropening toen hij naar beneden gesleept werd. Hij had alleen een onderbroek aan.
Ik pakte de straatbezem en liep naar buiten om de kapotte elektronica op een hoop te vegen. Het was achteraf maar een luchtbuks en de kletspraatjes van toevallige ramppassanten irriteerden me en ik ging terug naar binnen. Onder aan de trap naar boven bleef ik een ogenblik staan.
Waarom ook niet. Het was al zeker een halfjaar geleden dat ik voor het laatst in zijn huis was en toen was het een puinzooi. Maar dat was nog niets vergeleken met wat ik aantrof. De politie had het glas eruit geslagen (de hoeveelste keer al weer niet?). Ik stak mijn hand door het rafelige gat en trok het slot open. Een zieke geur van wiet, verschaal bier en pis dreef me tegemoet. De deur naar de badkamer hing versplinterd in de scharnieren. De wc-pot was kapotgeslagen, de spiegel ontbrak. Maar het indrukwekkendst was de wasmachine, die ondersteboven in het douchegedeelte stond. Diepe voren in de tegels gaven de baan van het apparaat aan. Ik probeerde het ding van zijn plaats te verschuiven. Wat een oerkracht moest er in dat pezige lijf losgekomen zijn.
De deur naar de kamer ontbrak. Die stond met een gat erin tegen de muur. De vloer was bezaaid met spijkers, stukken koper draad, moertjes, kapot glas, houtvezels, pizzadozen, plastic, printplaten en etensresten. Midden in de kamer stond het skelet van een bank. De bijbehorend kussens, vastgeschroefd op een houten raamwerk lagen er ondersteboven naast. De punten waren verfrommeld, bedekt met wit stof. Dus hierdoor dreunde het hele huis. De muren, van boterzacht gasbeton, waren op sommige plaatsen centimeters verschoven. De keukenkastjes hadden geen deurtjes meer. Het aanrechtblad was gedeukt en de gootsteen stond een vuile vaat, in een poel van vuil, beschimmeld water. De koelkast stond met open deur amechtig te brommen. Ik keek naar buiten, het linkerraam was nog steeds met noodglas dichtgeplakt. De overburen, die kogeltjes uit hun raamkozijn aan het pulken waren keken me ernstig aan. We knikten naar elkaar. Nu duurde het niet lang meer.

MARC STOND OP en leunde wankelend tegen de muur.
‘Gaat het?’ vroeg ik.
‘Ja, ga jij maar doen wat je ook maar van plan was. Ik ga slapen,’ antwoordde hij schor. Tjezus. Ik liep achter hem aan naar boven, ging mijn huis binnen en belde de meldkamer om door te geven dat ik Marc in comateuze toestand had aangetroffen. Dat ze het maar wisten.
Ik keek om heen. Een paar straten verder vierde Soraya nog steeds haar bruiloft. Misschien moest ik ook maar eens flink dronken worden. Op straat zette ik een paar stappen naar achteren. Marcs raam was dicht, een goed teken. Een taxichauffeur die met hoge snelheid van de Oudegracht de straat inracete moest vol op de rem staan. Hij draaide zijn raam open en spuugde naar me. ‘Mafkees!’
Iedereen houdt van paradijsvogels, zolang ze maar niet te dichtbij nestelen.
_____________________________________________________
NB: iedere vermeende overeenkomst met bestaande personen en situaties berust op paranoia.