Lubbers

In 1991 schreef ik voor de derde keer een feuilleton voor de Volkskrant. Een verhaal over een studentenhuis dat leefde van winkeldiefstal en uiteindelijk oplichting van Albert Heijn. Het was de tijd van het derde kabinet Lubbers, maar dat was niet de (directe) naamgever van het verhaal. Hieronder het laatste hoofdstuk.

Het lijkt allemaal langer geleden dan het was. Anton is in het bedrijfsleven terechtgekomen. Hij maakt daar carrière, een geboren overwinnaar zullen we maar zeggen. Marjolein doet iets met communicatie – al bijna net zo’n lege term als automatisering – en maakt geïnspireerde spotjes voor Postbus 51. Michaël zit in het buitenland, wat ik doe is wel duidelijk en Mort… tja, Mort ging dood.
Ik weet niet wie het beste af is.
Alle winkels in Nederland zijn opnieuw ingericht. Bijna elke boekhandel heeft poortjes. Walkmans staan achter glas en aan video’s zitten elektronische verklikkers.
En Albert Heijn zal nooit meer een Kassabon Bingo doen. In de laatste week werd er naar de Bulstraat gebeld. Krulspelden-Nederland had geklaagd omdat het telkens dezelfde vijf namen waren die met de drie hoogste prijzen aan de haal gingen. Als het ze maar persoonlijk raakt…
‘Het lijkt me verstandig dat u ermee ophoudt,’ zei de juffrouw aan de andere lijn. ‘Anders zijn we genoodzaakt stappen te ondernemen. Maar als u bereid bent te zeggen waar het lek zit zien we daar van af.’ De idioten bij Albert Heijn dachten dat we met medewerkers samenzweerden die ons de beste enveloppen in handen speelden.
‘Lek? Lek? Mevrouw, die enveloppen staan gewoon in dozen in Bilthoven voor iedereen voor het grijpen.’
Het was even stil. ‘Dat ga ik even uitzoeken.’
Het was maar goed dat Anton had opgenomen, want ik had me waarschijnlijk laten overbluffen. Vooral toen ze later terugbelde om te zeggen dat ons verhaal klopte, maar dat ze erop rekende dat we zo sportief zouden zijn om ermee op te houden.
‘Het is niet eerlijk, wat u doet,’ zei ze, ‘u ontneemt bij voorbeeld bijstandsmoeders de kans om ook een extraatje te verdienen.’
Anton hield even ruggespraak. Ik vond het een goed argument en stelde voor om voortaan in te leveren bij filialen waar we nog nooit meegedaan hadden. Maar Anton kon met een simpele som voorrekenen dat je, om per ongeluk te winnen, rond de tweeduizend gulden moest uitgeven: ‘Welke bijstandsmoeder haalt dat nog tegenwoordig. Een laffe lulsmoes.’
Een paar uur later belde mevrouw Albert Heijn terug. Na discussie was besloten dat we maar moesten doen waar we zin in hadden. Gelukkig maar, want ondanks het systeem scoorden we in de laatste week nog maar met één op de twee enveloppen. Nog altijd goed voor 45 eerste en gedeelde eerste prijzen en wat tweede en derde prijzen.

Mort had nog nooit zo’n godvergeten hoop geld bij elkaar gezien. Na aftrek van alle kosten toch zeker tienduizend gulden de man. In bonnen van 25 gulden. Bij het afhalen van onze prijzen hoorden we op een gegeven moment van een andere filiaalchef dat de chef van Bilthoven was ontslagen. We hebben het niet gecontroleerd. Hij was maar een spaander.
Het duurde nog een paar weken voor we alle bonnen hadden omgezet in contant geld. We vonden het zonde om daar eten voor te kopen. Maar de familie nam ze van ons over. Soms verkochten we ze met tien procent korting, omdat ze maar een jaar geldig bleven. De honderd kilo suiker die we verzameld hadden, verkochten we aan een bijenkweker. (En nog steeds heb ik dozen met boterhamzakjes, hachékruiden en lucifers onder mijn bed staan.)
Toen we tenslotte alles verzilverd hadden legden we het voor de aardigheid voor één keer bij elkaar: vijftigduizend gulden. Een halve ton, waarvan de helft zeker nooit uitgekeerd zou zijn als wij dat systeem niet hadden gehad. Bijstandsmoeders… aan hun lot overgelaten en alleen van stal gehaald als dat zo uitkwam — om de kas van Albert Heijn te beschermen.
Het werd een afscheidsfeestje. Mort had besloten terug te gaan naar Londen. Hij had geld, heimwee en hij durfde eindelijk de confrontatie met zijn familie aan. Het vooruitzicht van de naderende scheiding leek ons gevoeliger voor de rum-cola te maken dan normaal. Marjolein had me gevraagd over ons te zwijgen en als één nest lagen we over en tegen elkaar. En toen zag ik het. Anton legde een arm over Marjoleins heup, dat was nog te overzien, maar opeens zag ik iets flikkeren in Michaëls ogen. En toen begreep ik dat ik niet de enige was die met Marjolein iets in de Daf had beleefd. Op Mort na, maar ik wist zeker dat hij ook gemogen had.

Een paar dagen later zetten we Mort op het vliegtuig. Ik zou zijn bleke kop missen. Op weg naar huis begaf de Daf het. De Wegenwacht liep er omheen, keek er eens onder en trapte er eens tegen. ‘Ik krijg hem wel weer aan de praat,’ zei hij. ‘Maar de stad haal je niet meer.’
Ik brak de kentekenplaat eraf als souvenir. Door het achterruitje van het Wegenwacht-busje zag ik de racestrepen langzaam uit het zicht verdwijnen.
Weken later stelde Michaël voor weer eens naar Parijs te gaan. De reakties waren lauw, maar niemand had een beter idee. We besloten de volgende dag te gaan. Anton stelde voor om nog wat te halen voor de treinreis. Bij de supermarkt van V&D.
‘Ik heb geen zin meer,’ zei ik, ‘ik heb er genoeg van.’ Ik keek schuins naar Marjolein.
‘Nog één keer,’ zei ze, ‘for old times’ sake.’
De razernij waarmee Michaël en Anton tekeer gingen was angstwekkend. Michaël had een wasmiddelenton opengemaakt en stopte hem vol met zoetigheid. Het leek hem wel grappig om 18,99 te betalen voor een ton gevuld met voor een veelvoud aan snoep. Ik siste ze vergeefs toe. Daarom hield ik me in en beperkte me tot camoufleren.
Ik liep alvast de kassa door en onmiddellijk nam een beveiligingsagent me bij de arm. ‘Wilt u even meelopen?’ Ik rukte me los en verklaarde dat hij andere mensen moest lastig vallen. Ik liep zelfverzekerd door – ik had niets op zak – en lette op of de rest goed wegkwam. En toen struikelde ik, er kwamen van twee kanten zogenaamde klanten aanrennen die me dwars door de glazen deur heensloegen. Dat had nou ook weer niet gehoeven.
Dat vond de bedrijfsleiding ook, maar ‘als ik gewoon meegelopen was enzovoort, verontschuldigingen en alstublieft uw adres om het goed te maken’. Ik gaf ze het adres van mijn ouders.
Op de Bulstraat zat iedereen me aan te kijken alsof de wereld op ondergaan stond. ‘Komkom,’ zei ik en wreef zacht over de pleister onder mijn oog, ‘het is allemaal goed afgelopen.’
‘Dat is het niet,’ zei Marjolein en ze duwde me een brief in handen. Hij was van de zus van Mort. Dat Mort zijn vader zijn ‘coming out of the closet’ niet op prijs had gesteld en hem onmiddellijk het huis had uitgeschopt en onterfd. ‘We don’t know whether it was an accident or intention,’ schreef Morts zus, maar een paar dagen later hadden ze hem opgevist uit de Theems. Dronken verdronken. Als je er oog voor had had het wel iets moois. ‘I know he loved you all, during the first days he told me he had the best time of his life with you. So it seemed proper for me to write to you. To be honest, I think you were the first friends he ever had and in a way you all finally pushed him forwards…’

Lubben had jaren eerder voor ons geen betekenis, maar in de Dikke van Dale ontdekte ik dat het castreren betekent, of, vangen in de figuurlijke betekenis van het woord. Maar wie weet dat nou. In een studentenalmanak vond ik een keer de betekenis iemand iets laten doen waar hij eigenlijk geen zin in heeft. Ik ben er nog niet uit wat het lubben van ons nu precies was.
Het Gezond Burgermansfatsoen zendt brieven in en Krulspelden-Nederland houdt vlammende toespraken dat het zo niet verder kan met de wereld. Maar hoe moet het dan wel verder? En wie zal het veranderen?
Vooral als ik weer zo’n politicus uitspraken in het journaal hoor doen – ‘We moeten sámen er iets aan doen’ – weet ik dat we er helemaal alleen voor staan.

Overspel op het dagelijks bestaan

In 2000 schreef ik een stuk voor Metro over Carnaval. Moe van de vooroordelen probeerde ik het nog één keer uit te leggen aan de rest van Nederland. Tja. Vergeefs natuurlijk. Het is nu achttien jaar verder en alles wat ik schreef geldt nog steeds. We gaan nog steeds op kroegentocht in Breda. Niet meer met tweehonderd, maar een man of vijftig. Niet meer alle vier de dagen en ik heb vorig jaar overgeslagen. Maar voor de rest is alles nog steeds hetzelfde.

Lees verder

R.E.S.P.E.C.T.

Voor de Lowlandsspecial van Nieuwe Revu 2008 schreef ik de volgende column.

Mijn auto maakt mij de silverback. Ik ben de alfahond die uitstapt bij de benzinepomp en tegen Audi’s en BMW’s pist en op cabrio’s kakt. Als ik terugkom van het afrekenen van de volle tank staat de rij achter mij geduldig te wachten. Af en toe is er iemand die me durft aan te spreken. Meestal draaien mannen zich verlegen om als ze zien dat ik bij de auto hoor waar ze al die tijd bewonderend naar kijken. Ik begrijp het wel. Een auto als de mijne zie je maar zelden.
Een van de eerste zomerse dagen van 2008 zat ik daarom met het zweet in mijn handen achter stuur, terwijl de wegenwacht van alles lostrok en weer vastplugde. De motor was afgeslagen. Hij deed het niet meer. ‘Start eens,’ zei de man. Ik draaide de sleutel om. ‘Ho maar. De distributieriem is gebroken. Dan gaat minimaal de cilinderkop kapot. Dat kost je zeker duizend euro.’ Twee keer de dagwaarde van mijn auto. Verzekeringstechnisch dan. Penisverlengingtechnisch is hij onbetaalbaar. De eerste garage die ik belde dacht aan drieduizend euro. De tweede garage die ik belde kende mijn auto. ‘Kom hem maar brengen. In een op de vijf gevallen is er geen schade. Misschien heb je geluk.’
Ik had geluk. Het volledige personeel van de garage zwaaide me uit. Zo’n auto hadden ze nog nooit gezien. Dat het kon. Dat het bestond. Die mocht niet op de sloop terecht komen.
Het is niet alleen rozengeur, zo’n auto. De verantwoordelijkheid is zwaar. Eens was ik getuige (zij het via mijn spiegels) van een aanrijding. Ik kon nog net langs een achteruitrijdende lichte vrachtauto schieten. Het busje dat me volgde werd aan de zijkant opengereten door een stalen balk. Ik parkeerde mijn auto half op de stoep en sprong eruit. De bestuurder en de bijrijder van het busje kwamen wankelend op me af. ‘Is alles goed?’ vroeg ik bezorgd. ‘VIJF!’ schreeuwden ze en liepen naar mijn auto. ‘VIJF! Vijf Lowlands Backstage parkeerstickers op je achterruit! Hoe kom je daar aan?’ Ik deed mijn uiterste best bescheiden te blijven. Dat viel niet mee, maar het lukte.
Na augustus heb ik mijn zesde sticker ernaast. Ik heb nu al een stijve. Lees verder